Disclaimer

In het onderdeel Regelgeving vindt u geldende algemeen verbindende voorschriften (verordeningen) en beleidsregels van de gemeente Overbetuwe. De complete tekst, waarin alle wijzigingen zijn verwerkt, is gepubliceerd. De informatie in dit onderdeel vormt geen bekendmaking in de zin van de Gemeentewet of de Algemene wet bestuursrecht. Alleen publicatie in het binnen de gemeente te verspreiden huis-aan-huisblad heeft een officieel karakter.

Zoeken in regelgeving

            

Financiële verordening gemeente Overbetuwe 2017

Voor deze verordening versie is geen samenvatting ingevoerd.

Gegevens van de regeling

Overheidsorganisatie Gemeente Overbetuwe
Officiële naam regeling Financiële verordening gemeente Overbetuwe 2017
Citeertitel Financiële verordening gemeente Overbetuwe 2017
Vastgesteld door gemeenteraad
Deze versie is geldig tot (als de vervaldatum is vastgesteld)
Onderwerp financiën en economie
Opmerkingen m.b.t. de regeling Geen.
Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving) Budgethoudersregeling 2017
Betreft (aard van de wijziging) nieuwe regeling
Datum van inwerkingtreding van (een versie van) de regeling 01-01-2017
Datum terugwerkende kracht (t/m) van (een versie van) de regeling
Datum ondertekening van (een wijziging van) de regeling 06-12-2016
Bron bekendmaking van (een wijziging van) de regeling gemeenteblad 180339 20 december 2016
Kenmerk voorstel 16rb000110

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

Gemeentewet, art. 212

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding Terugwerkende kracht t/m Datum uitwerkingtreding Betreft Datum ondertekening
Bron bekendmaking
Kenmerk
voorstel
01-01-2017 nieuwe regeling 06-12-2016
gemeenteblad 180339 20 december 2016
16rb000110

Onderwerp: Financiële verordening gemeente Overbetuwe 2017

 

 

Ons kenmerk: 16RB000110

 

Nr. 8

 

De raad van de gemeente Overbetuwe;

 

gelezen het raadsvoorstel van burgemeester en wethouders van 1 november 2016;

 

gehoord het advies van de auditcommissie van 23 november 2016;

 

gelet op artikel(en) 212 van de Gemeentewet;

 

b e s l u i t :

 

 

vast te stellen de

 

Financiële verordening gemeente Overbetuwe 2017

 

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

Deze verordening verstaat onder:

  1. a.administratie: het systematisch verzamelen, vastleggen, verwerken en verstrekken van informatie ten behoeve van het besturen, functioneren en beheersen van de gemeentelijke organisatie en de verantwoording die daarover moet worden afgelegd;

  2. b.college: het college van burgemeester en wethouders;

  3. c.jaarstukken: de jaarrekening, het jaarverslag en de bijbehorende stukken van een begrotingsjaar;

  4. d.overheidsbedrijf: onderneming met privaatrechtelijke rechtspersoonlijkheid, niet zijnde een personenvennootschap met rechtspersoonlijkheid, waarin de gemeente, al dan niet tezamen met een of meer andere publiekrechtelijke rechtspersonen, in staat is het beleid te bepalen of een onderneming in de vorm van een personenvennootschap, waarin een publiekrechtelijke rechtspersoon deelneemt;

  5. e.structurele baten en lasten: baten en lasten die zich gedurende minimaal vier jaar voordoen;

  6. f.team: iedere organisatorische eenheid binnen de gemeentelijke organisatie met een eigen rechtstreekse verantwoordelijkheid aan het college.

Hoofdstuk 2 Begroting en verantwoording

Artikel 2 Programma-indeling

  1. 1.De raad stelt bij aanvang van iedere raadsperiode een programma-indeling voor die raadsperiode vast.

  2. 2.De raad stelt bij aanvang van iedere raadsperiode op voorstel van het college de taakvelden per programma vast.

  3. 3.De raad stelt op voorstel van het college per programma de beleidsindicatoren vast. Het voorstel van het college bevat ten minste de verplichte beleidsindicatoren, bedoeld in artikel 25, tweede lid, onder a, van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten.

  4. 4.De raad stelt bij aanvang van iedere raadsperiode vast over welke onderwerpen hij in extra paragrafen naast de verplichte paragrafen van de begroting en de jaarstukken kaders wil stellen en wil worden geïnformeerd.  

Artikel 3 Inrichting begroting en jaarstukken

  1. 1.Bij de begroting en de jaarstukken worden onder elk van de programma’s de baten en lasten per taakveld weergegeven.

  2. 2.Bij de uiteenzetting van de financiële positie in de begroting wordt van de nieuwe investeringen per investering het benodigde investeringskrediet weergegeven.

  3. 3.Bij de uiteenzetting van de financiële positie in begroting wordt in, aanvulling op het bepaalde in artikel 20 en artikel 21 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten, inzicht gegeven in de ontwikkeling van de schuldpositie als gevolg van de begroting, de meerjarenraming, de investeringen en de grondexploitatie.  

  4. 4.In de jaarstukken wordt van de investeringen de uitputting van de geautoriseerde investeringskredieten en de actuele raming van de totale uitgaven en inkomsten weergegeven.

Artikel 4 Kaders begroting

  1. 1.Het college biedt voor 1 juli aan de raad een nota aan met een voorstel voor het beleid en de financiële kaders van de begroting voor het volgende begrotingsjaar en de meerjarenraming. De raad stelt deze nota voor 1 augustus vast.

  2. 2.In de begroting wordt een post onvoorzien opgenomen.

Artikel 5 Autorisatie begroting en investeringskredieten

  1. 1.De raad autoriseert met het vaststellen van de begroting de baten en de lasten per taakveld.

  2. 2.Bij de begrotingsbehandeling geeft de raad aan van welke nieuwe investeringen hij op een later tijdstip een apart voorstel voor autorisatie van het investeringskrediet wil ontvangen. De overige nieuwe investeringen worden bij de begrotingsbehandeling met het vaststellen van de financiële positie geautoriseerd.    

  3. 3.Het college informeert de raad als hij verwacht, dat de lasten van een taakveld de geautoriseerde lasten dreigen te overschrijden, de investeringsuitgaven van een investeringskrediet het geautoriseerde investeringskrediet dreigen te overschrijden of de baten van een taakveld de geautoriseerde baten dreigen te onderschrijden. De raad geeft aan of hij een voorstel wil voor het wijzigen van de geautoriseerde lasten van het taakveld, het wijzigen van het geautoriseerde investeringskrediet of het bijstellen van het beleid.

  4. 4.Bij de behandeling van de tussenrapportages in de raad bedoeld in artikel 7, lid 1, doet het college voorstellen voor het wijzigen van de geautoriseerde baten en lasten, het wijzigen van de geautoriseerde investeringskredieten en het bijstellen van het beleid. In geval van investeringen met een meerjarig karakter doet het college indien nodig ook bij iedere begroting op grond van geactualiseerde ramingen voorstellen voor het wijzigen van de geautoriseerde investeringskredieten.

  5. 5.Voor een investering waarvan het investeringskrediet niet met het vaststellen van de begroting is geautoriseerd, legt het college voorafgaand aan het aangaan van verplichtingen een investeringsvoorstel met een voorstel voor het vaststellen van een investeringskrediet aan de raad voor.

Artikel 6 Autorisatie achteraf

  1. 1.Ten behoeve van een soepele voortgang in de bedrijfsvoering en/of besluitvormingstrajecten is vooraf geen budgetverlening door de raad noodzakelijk voor:

    1. a.nieuwe uitgaven met een eenmalig karakter van maximaal € 150.000 exclusief compensabele btw;

    2. b.nieuwe structurele exploitatielasten van maximaal € 20.000 exclusief compensabele btw;

    3. c.investeringen van maximaal € 150.000 exclusief compensabele btw, waarvan de structurele kapitaallasten maximaal € 20.000 bedragen.

  2. 2.Van de financiële consequenties van transacties die de in het eerste lid genoemde bedragen niet te boven gaan, worden achteraf in het betreffende begrotingsjaar administratieve begrotingswijzigingen opgesteld of de betreffende financiële consequenties worden meegenomen in een één van de tussentijdse rapportages aan de raad, bedoeld in artikel 7, eerste lid en de daaruit voortvloeiende begrotingswijziging.

  3. 3.Bij de bepaling van overschrijding van taakvelden wordt geen rekening gehouden met overschrijdingen, die het gevolg zijn van een hogere toerekening van loonkosten van de eigen organisatie.

  4. 4.Kredietopeningen ten behoeve van grondexploitatie-activiteiten waarvoor een actuele, door de raad vastgestelde exploitatieopzet voorhanden is, kunnen ongelimiteerd door het college worden afgewikkeld, indien deze uitgaven passen binnen de bedoelde exploitatieopzet.

Artikel 7 Tussentijdse rapportage

  1. 1.Het college informeert de raad viermaal per jaar door middel van tussentijdse rapportages over de realisatie van de begroting.

  2. 2.De tussenrapportages bevatten een uiteenzetting over de uitvoering van het beleid, de belangrijkste ontwikkelingen in de verplichte paragrafen van de begroting en een overzicht met de bijgestelde raming van:

    1. a.de baten en de lasten per taakveld;

    2. b.het overzicht van de algemene dekkingsmiddelen;

    3. c.het overzicht van de overhead en de geraamde vennootschapsbelasting;

    4. d.het totale saldo van de baten en lasten volgend uit de onderdelen a, b en c;

    5. e.de (beoogde) toevoegingen en onttrekkingen aan reserves per taakveld;

    6. f.het resultaat, volgend uit de onderdelen d en e;

    7. g.de realisatie en raming van de uitputting van de investeringskredieten.

  3. 3.In de tussenrapportages worden afwijkingen op de oorspronkelijke ramingen van de baten en lasten van taakvelden en investeringskredieten in de begroting groter dan € 50.000 toegelicht.

Artikel 8 Informatieplicht

  1. 1.Het college besluit niet over het verstrekken van leningen, waarborgen en garanties groter dan € 1.000.000 dan nadat de raad is geïnformeerd over het voornemen en hiertoe in de gelegenheid is gesteld zijn wensen en bedenkingen ter kennis van het college te brengen.

  2. 2.Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op het aangaan van achtervangovereenkomsten met het Waarborgfonds Sociale Woningbouw, voor zover het de (her)financiering betreft van de woongelegenheden in de gemeente.

Artikel 9 EMU-saldo

Wanneer het Rijk de gemeente bericht dat alle gemeenten samen het collectieve aandeel van gemeenten in het EMU-tekort, bedoeld in artikel 3, zesde lid, van de Wet houdbare overheidsfinanciën, hebben overschreden, informeert het college de raad of een aanpassing van de begroting nodig is. Als het college een aanpassing nodig acht, doet het college een voorstel voor het wijzigen van de begroting.

Hoofdstuk 3 Financieel beleid

Artikel 10 Waardering en afschrijving vaste activa

  1. 1.Immateriële en materiële vaste activa worden afgeschreven volgens de methodiek en de termijnen zoals vermeld in de bijlage afschrijvingsbeleid bij deze verordening.

  2. 2.Kosten voor het afsluiten van geldleningen worden direct ten laste van de exploitatie gebracht.

  3. 3.Over nieuwe investeringen wordt het eerste jaar geen afschrijving en rente berekend.

Artikel 11 Reserves en voorzieningen

  1. 1.In de begroting en jaarstukken vindt de renteberekening en -toerekening plaats in overeenstemming met de uitgangspunten van het in de Kadernota 2017 opgenomen Renterapport.

  2. 2.Het college biedt de raad eens in de vier jaar een nota reserves en voorzieningen aan. Deze nota wordt door de raad vastgesteld en hierin wordt behandeld:

    1. a.de vorming en besteding van reserves;

    2. b.de vorming en besteding van voorzieningen.

  3. 3.Bij een voorstel tot instelling van een bestemmingsreserve voor een investeringsvoornemen wordt minimaal aangegeven:

    1. a.het specifieke doel van de reserve;

    2. b.de voeding van de reserve;

    3. c.de maximale hoogte van de reserve;

    4. d.de maximale looptijd.

  4. 4.Als een bestemmingsreserve voor een investeringsvoornemen binnen de aangegeven maximale looptijd niet heeft geleid tot een investering, valt de bestemmingsreserve vrij en wordt deze aan de algemene reserve toegevoegd.

Artikel 12 Kostprijsberekening

  1. 1.Voor het bepalen van de geraamde kostprijs van rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht en van goederen, werken en diensten die worden geleverd aan overheidsbedrijven en derden, wordt een extracomptabel stelsel van kostentoerekening gehanteerd. Bij deze kostentoerekening worden naast de directe kosten, de overheadkosten en de rente van de inzet van vreemd vermogen, reserves en voorzieningen voor de financiering van de in gebruik zijnde activa betrokken.

  2. 2.Bij de directe kosten worden betrokken de bijdragen aan en onttrekkingen van voorzieningen voor de noodzakelijke vervanging van de betrokken activa en de afschrijvingskosten van de in gebruik zijnde activa. Voor de rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht, worden daarbij ook de compensabele belasting over de toegevoegde waarde (btw) en de gederfde inkomsten van het kwijtscheldingsbeleid betrokken.

  3. 3.Voor de toerekening van de overheadkosten worden de overheadkosten die kunnen worden toegerekend aan activiteiten welke geheel of deels worden bekostigd met een specifieke uitkering of subsidie, binnen het taakveld overhead apart geadministreerd en in de desbetreffende verantwoordingen over de besteding toegerekend aan die activiteiten.

  4. 4.Voor de toerekening van de overheadkosten worden de overheadkosten die kunnen worden betrokken in de aangifte vennootschapsbelasting, binnen het taakveld overhead apart geadministreerd en voor de belastingaangifte aan de kostprijs van de vennootschapsbelastingplichtige activiteiten toegerekend.

  5. 5.Voor de toerekening van de overheadkosten aan de kostprijs van rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht en van goederen, werken, diensten die worden geleverd aan overheidsbedrijven en derden, voor zover dat niet activiteiten als bedoeld in het derde en vierde lid betreffen, wordt uitgegaan van de hierna aangegeven systematiek:

    1. a.De met in acht neming van lid 3 en 4 van dit artikel resterende overheadkosten worden aan de overige taakvelden toegerekend op basis van een opslag op het uurtarief.

    2. b.Voor de bepaling van de opslag worden de resterende overheadkosten gedeeld door het aantal aan de taakvelden toe te rekenen uren.

    3. c.In de berekening van het uurtarief wordt voor de Helster en Openbare werken de opslag op het uurtarief bepaald op de helft.

  6. 6.Het percentage voor de toerekening van rente voor de financiering van de in gebruik zijn de activa, bedoeld in het eerste lid, wordt jaarlijks met de begroting vastgesteld en gebaseerd op de uitgangspunten van het Renterapport bij de Kadernota 2017.

  7. 7.In afwijking van het eerste lid worden bij vennootschapsbelastingplichtige activiteiten en grondexploitaties alleen de rentekosten voor de inzet van vreemd vermogen aan de kostprijs toegerekend en bij projectfinanciering worden de werkelijke rentekosten toegerekend.

Artikel 13 Prijzen economische activiteiten

  1. 1.Voor de levering van goederen, diensten of werken door de gemeente aan overheidsbedrijven en derden waarbij de gemeente in concurrentie met marktpartijen treedt, wordt ten minste de geraamde integrale kostprijs in rekening gebracht. Bij afwijking vanwege een publiek belang doet het college vooraf voor elk van deze activiteiten afzonderlijk een voorstel voor een raadsbesluit, waarin het publiek belang van de levering van de desbetreffende goederen, diensten of werken wordt gemotiveerd.

  2. 2.Bij het verstrekken van leningen of garanties door de gemeente aan overheidsbedrijven en derden worden ten minste de geraamde integrale kosten in rekening gebracht. Bij afwijking vanwege een publiek belang doet het college vooraf een voorstel voor een raadsbesluit, waarin het publiek belang van de lening of de garantie wordt gemotiveerd.

  3. 3.Bij het verstrekken van kapitaal door de gemeente aan overheidsbedrijven en derden gaat het college uit van een vergoeding van ten minste de geraamde integrale kosten van de verstrekte middelen. Bij afwijking vanwege een publiek belang doet het college vooraf een voorstel voor een raadsbesluit, waarin het publiek belang van de kapitaalverstrekking wordt gemotiveerd.

  4. 4.Raadsbesluiten met de motivering van het publiek belang als bedoeld in de vorige leden zijn niet nodig als minder dan de integrale kostprijs in rekening wordt gebracht en sprake is van:

    1. a.leveringen van goederen, diensten of werken en het verstrekken van leningen, garanties en kapitaal aan andere overheden voor zover deze leveringen en verstrekkingen zijn bedoeld voor de uitoefening van de publieke taak door die andere overheid;

    2. b.een bevoordeling van activiteiten in het kader van een bij wet opgedragen publiekrechtelijke taak;

    3. c.een bevoordeling van activiteiten in het kader van een toegekend bijzonder of uitsluitend recht waarvoor prijsvoorschriften gelden;

    4. d.een bevoordeling die valt onder de reikwijdte van de staatssteunregels van het Werkingsverdrag van de Europese Unie en daarmee verenigbaar is;

    5. e.overige door de raad vastgestelde uitzonderingen.

Artikel 14 Vaststelling hoogte belastingen, rechten, heffingen en prijzen

  1. 1.Het college doet de raad jaarlijks een voorstel voor de hoogte van de gemeentelijke tarieven voor de belastingen, riool- en afvalstoffenheffing en de overige heffingen.

  2. 2.Het college biedt de raad eens in de vier jaar een nota aan met de kaders voor de prijzen voor de levering van gemeentelijke goederen, werken en diensten aan overheidsbedrijven en derden en voor de huren en de erfpachten.

  3. 3.De besluiten voor het vaststellen van nieuwe prijzen en het wijzigen van prijzen, bedoeld in lid 2, worden ter kennisneming aan de raad aangeboden.  

Hoofdstuk 4 Kapitaalgoederen en grondexploitatie

Artikel 15 Onderhoud kapitaalgoederen

  1. 1.Het college biedt de raad ten minste eens in de vier jaar een onderhoudsplan openbare ruimte aan. Het plan geeft het kader weer voor het beoogde onderhoudsniveau, de planning van het onderhoud en de kosten van het onderhoud voor het openbaar groen, water, wegen, kunstwerken en straatmeubilair. De raad stelt het plan vast.

  2. 2.Het college biedt de raad ten minste eens in de vijf jaar een rioleringsplan aan. Het plan geeft het kader weer voor het beoogde onderhoudsniveau, de planning van het onderhoud, de uitbreiding van de riolering en de kosten van het onderhoud en de eventuele uitbreidingen. De raad stelt het plan vast.

  3. 3.Het college biedt de raad ten minste eens in de vier jaar een onderhoudsplan gebouwen aan. Het plan bevat voorstellen voor het te plegen onderhoud en de bijbehorende kosten aan de gemeentelijke gebouwen. De raad stelt het plan vast.

Artikel 16 Grondbeleid

Het college biedt de raad ten minste eens in de vier jaar een nota grondbeleid aan. De raad stelt de nota vast. In de nota wordt onder andere aandacht besteed aan:

  1. a.de strategische visie van het toekomstig grondbeleid van de gemeente;

  2. b.te ontwikkelen en in ontwikkeling genomen projecten;

  3. c.het verloop van de grondvoorraad;

  4. d.de uitgangspunten voor de verkoopprijzen van gronden.

Hoofdstuk 5 Financiële organisatie en financieel beheer

Artikel 17 Administratie

De administratie is zodanig van opzet en werking, dat zij in ieder geval dienstbaar is voor:

  1. a.het sturen en het beheersen van activiteiten en processen in de gemeente als geheel en in de teams;

  2. b.het verstrekken van informatie over ontwikkelingen in de omvang van de vaste activa, voorraden, vorderingen, schulden en contracten;

  3. c.het verschaffen van informatie over uitputting van de toegekende budgetten en investeringskredieten en voor het maken van kostencalculaties;

  4. d.het verschaffen van informatie over indicatoren met betrekking tot de gemeentelijke productie van goederen en diensten en de maatschappelijke effecten van het gemeentelijke beleid;

  5. e.het afleggen van verantwoording over de rechtmatigheid, de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het gevoerde bestuur in relatie tot de gestelde beleidsdoelen, de begroting en relevante wet- en regelgeving;

  6. f.de controle van de registratie van gegevens als zodanig en van de daaraan ontleende informatie, alsmede voor de controle op de rechtmatigheid, de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het gevoerde bestuur in relatie tot de gestelde beleidsdoelen, de begroting en relevante wet- en regelgeving.

Artikel 18 Financiële organisatie

Het college draagt zorgt voor:

  1. a.een eenduidige indeling van de gemeentelijke organisatie en een eenduidig toewijzing van de gemeentelijke taken aan de teams;

  2. b.een adequate scheiding van taken, functies, bevoegdheden, verantwoordelijkheden;

  3. c.de verlening van mandaten en volmachten voor het aangaan van verplichtingen ten laste van de toegekende budgetten en investeringskredieten;

  4. d.de interne regels voor taken en bevoegdheden, de verantwoordingsrelaties en de bijbehorende informatievoorziening van de financieringsfunctie;

  5. e.de te maken afspraken met de teams over de te leveren prestaties, de daarvoor beschikbare middelen en de wijze en frequentie van rapportage over de voortgang van de activiteiten en uitputting van middelen;

  6. f.de kostenverdeelsleutels voor het eenduidig toewijzen van baten en lasten aan de taakvelden;

  7. g.het beleid en de interne regels voor de inkoop en de aanbesteding van goederen, werken en diensten;

  8. h.het beleid en de interne regels voor de steunverlening en de toekenning van subsidies aan ondernemingen en instellingen;

  9. i.het beleid en de interne regels voor het voorkomen van misbruik en oneigenlijk gebruik van gemeentelijke regelingen en eigendommen, opdat aan de eisen van rechtmatigheid, controle en verantwoording wordt voldaan.

Artikel 19 Interne controle

  1. 1.Het college zorgt ten behoeve van het getrouwe beeld van de jaarrekening, bedoeld in artikel 213, derde lid, onder a, van de Gemeentewet en de rechtmatigheid van de baten en lasten en de balansmutaties, bedoeld in artikel 213, derde lid, onder b, van de Gemeentewet, voor de jaarlijkse interne toetsing van de getrouwheid van de informatieverstrekking en de rechtmatigheid van de beheershandelingen. Bij afwijkingen neemt het college maatregelen tot herstel.

  2. 2.Het college zorgt voor de systematische controle van de registratie en de ontwikkeling van de bezittingen en het financieel vermogen van de gemeente met dien verstande dat de waardepapieren, de voorraden, de uitstaande leningen, de debiteurenvorderingen, de liquiditeiten, de opgenomen leningen, de kortlopende schulden en de vorderingen van crediteuren jaarlijks worden gecontroleerd en registergoederen en bedrijfsmiddelen ten minste eenmaal in de vier jaar. Bij afwijkingen in de registratie neemt het college maatregelen voor herstel van de tekortkomingen.

Hoofdstuk 6 Slotbepalingen

Artikel 20 Intrekken oude verordening en overgangsrecht

  1. 1.De Financiële verordening gemeente Overbetuwe 2007 wordt ingetrokken, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de jaarstukken van het begrotingsjaar voorafgaand aan het jaar waarin deze verordening in werking treedt.

  2. 2.Op investeringen in de openbare ruimte met maatschappelijk nut die voor 1 januari 2017 zijn gedaan, blijft de Financiële verordening gemeente Overbetuwe 2007 van toepassing zoals deze gold op de dag voor de inwerkingtreding van deze verordening.

Artikel 21 Inwerkingtreding en citeertitel

  1. 1.Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2017.

  2. 2.Deze verordening wordt aangehaald als: Financiële verordening gemeente Overbetuwe 2017.

 

 

Aldus besloten in zijn openbare vergadering

van 6 december 2016.

 

DE RAAD VOORNOEMD,

de griffier,

de voorzitter,

 

 

 

 

drs. A.J. van den Brink MBA.

drs. A.S.F. van Asseldonk.

 

 

Bijlage afschrijvingsbeleid bij artikel 10 van de Financiële verordening gemeente Overbetuwe 2017

 

I.     Algemene uitgangspunten

  1. 1.Afschrijving van activa vindt plaats op annuïteitsbasis.

  2. 2.Activa met een verkrijgingsprijs van minder dan € 5.000 worden niet geactiveerd, met uitzonderdering van gronden en terreinen.

  3. 3.De raad kan voor unieke projecten of in bijzondere situaties op basis van een goed onderbouwd collegevoorstel afwijkende afschrijvingstermijnen vaststellen.

 

II.     Materiële vaste activa met economisch nut

  1. 1.De volgende materiële vaste activa met economisch nut worden afgeschreven in:

    1. a.40 jaar: nieuwbouw gebouwen (zoals kantoren, bedrijfsgebouwen, scholen, woonruimten);

    2. b.25 jaar: restauratie/renovatie van gebouwen

    3. c.15 jaar: technische en telefooninstallaties in gebouwen;

    4. d.10 jaar: veiligheidsvoorzieningen van gebouwen en terreinen;

    5. e.10 jaar: meubilair;

    6. f.3 jaar: smartphones, tablets, laptops;

    7. g.5 jaar: overige automatiseringsapparatuur/-hulpmiddelen.

  2. 2.Voor materieel van openbare ruimte en veiligheid worden de afschrijvingstermijnen gehanteerd die zijn opgenomen in de door de raad vastgestelde vervangingsschema’s van dit materieel.

  3. 3.Voor de investeringen die betrekking hebben op rioleringen worden de afschrijvingstermijnen gehanteerd die zijn opgenomen in het actuele Gemeentelijke Rioleringsplan.

  4. 4.Op gronden en terreinen wordt niet afgeschreven.

  5. 5.In afwijking van de termijnen onder II-1a worden de oorspronkelijke afschrijvingstermijnen van 60 jaar van (oude) investeringen van schoolgebouwen, niet  aangepast.

 

III.   Materiële vaste activa met maatschappelijk nut

  1. 1.Materiële vaste activa met maatschappelijk nut worden afgeschreven in 20 jaar.
    Voor de praktische toepassing hieronder een aantal voorbeelden op welke activa dit zoal van toepassing is: parken, plantsoenen, sportvelden, groenvoorzieningen, wegen, pleinen, rotondes, tunnels, viaducten, bruggen, geluidswallen, straatmeubilair, kades, sluizen en waterkeringen.

  2. 2.Voor lichtmasten en armaturen gelden de afschrijvingstermijnen, vermeld in het door de raad vastgestelde verlichtingsplan.

 

IV.   Immateriële activa

  1. 1.Computerapplicaties, programmatuur, e.d.: afschrijvingstermijn 5 jaar.

  2. 2.De kosten van sluiten van geldleningen worden direct ten laste van de exploitatie verantwoord.

  3. 3.Bijdragen aan activa in eigendom van derden worden afgeschreven in overeenstemming met de verwachte gebruiksduur van dat actief.

 

 

Behoort bij besluit van de gemeenteraad d.d. 6 december 2016, nr.

Mij bekend,

de griffier,

 

 

drs. A.J. van den Brink MBA.

 

 

Toelichting op Financiële verordening gemeente Overbetuwe 2017

 

I.     Algemeen

In deze verordening zijn zoveel mogelijk de artikelen en toelichtingen overgenomen uit de modelverordening 2016 van de VNG. Van onderwerpen, waarvan in andere door de raad vastgestelde verordeningen of beleidsstukken, e.d. zaken al goed en duidelijk zijn geregeld, zijn in deze verordening geen artikelen overgenomen. In die gevallen worden de niet overgenomen artikelen of andere afwijkingen van de modelverordening kort toegelicht.

Verder hebben we enkele artikelen overgenomen uit de oude Financiële verordening, die in de praktijk heel goed hebben gewerkt, een soepele bedrijfsvoering bevorderen en niet in strijd zijn met de nieuwe voorschriften. In de toelichting vermelden wij welke artikelen dit betreffen.

 

Tenslotte hebben wij ernaar gestreefd de omvang van deze verordening beperkt te houden mede om “dichtregelen” te voorkomen; bij een zeer uitgebreide en gedetailleerde verordening kan namelijk iedere (ondergeschikte) nieuwe ontwikkeling leiden tot een -vanuit het oogpunt van rechtmatigheid- noodzakelijke aanpassing van Financiële verordening (met het gehele bestuurlijke voortraject).

Bij de oude verordening was ook gekozen voor de eenvoudige, niet te uitgebreide aanpak en dit heeft geleid tot een praktisch hanteerbaar stuk met voldoende waarborgen en een grote houdbaarheidsdatum (verordening dateert van 2006 en is slechts eenmaal gewijzigd in 2007)

 

II.     Toelichting op de artikelen

 

Artikel 1. Begripsomschrijvingen

Het begrip administratie is gedefinieerd ten behoeve van artikel 17 van de verordening.

De begrippen college en jaarstukken komen in diverse artikelen en onderdelen van deze toelichting voor.

Overheidsbedrijf is gedefinieerd om in artikel 13 van de verordening nadere invulling te kunnen geven aan de verplichtingen die volgen uit de Mededingingswet voor het vaststellen van de hoogte van prijzen.

Verder zijn structurele baten en lasten nader omschreven t.b.v. artikel 6 en omdat in de praktijk vaak niet duidelijk is wanneer bijv. nieuwe uitgaven een eenmalig of structureel karakter hebben. In deze gemeente, maar ook in vele andere, is het gebruikelijk en logisch om baten en lasten als structureel aan te merken als deze zich voordoen in een begrotingsjaar en minimaal de driejaarperiode van de daaraan gekoppelde meerjarenraming, in totaal dus vier jaar.

Tenslotte is het begrip team is gedefinieerd ten behoeve van de artikelen 17 en 18 van de verordening.

 

Artikel 2. Programma-indeling

Dit artikel bevat bepalingen over de inrichting van de begroting en de jaarstukken. De indeling van de programma’s worden bij aanvang van iedere raadsperiode door de raad vastgesteld. Het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten (hierna: BBV) bepaalt in aanvulling hierop, dat de taakvelden aan de programma’s moeten worden toegewezen.

Het tweede lid regelt, dat de taakvelden op voorstel van het college aan de programma’s worden toebedeeld

Het derde lid bepaalt, dat op voorstel van het college de raad beleidsindicatoren per programma vaststelt. Het is het zogenaamde SMART maken van de begroting. Wat de verplichte beleidsindicatoren zijn, volgt uit de (ministeriële) Regeling vaststelling beleidsindicatoren door gemeenten in programma’s en programmaverantwoording, welke zijn grondslag vindt in artikel 25, tweede lid, onder a, van het BBV.

Overigens bepaalt dit artikel niet dat elke nieuwe raadsperiode de gehele begroting en jaarstukken moeten worden herzien. In de meeste gevallen is dat niet raadzaam. Als de indeling en gebruikte beleidsindicatoren de vorige raadsperiode goed zijn bevallen, kunnen deze ongewijzigd opnieuw worden vastgesteld. In andere gevallen zijn (kleine) bijstellingen of wijzigingen meestal voldoende.

Het BBV schrijft een aantal verplichte paragrafen voor. In een paragraaf wordt de raad integraal over een bepaald thema dat dwars door de begroting loopt, geïnformeerd.

Het vierde lid bepaalt, dat de raad bij aanvang van een nieuwe raadsperiode kan aangeven, welke paragrafen hij nog meer wenst.

 

Artikel 3. Inrichting begroting en jaarstukken

In dit artikel zijn aanvullend op het BBV bepalingen opgenomen voor de inrichting van de begroting. Het artikel schrijft voor, dat de baten en lasten onder de programma’s in de begroting per taakveld worden weergegeven.

In het tweede lid wordt de verplichting in het BBV (artikel 20) om in de begroting aandacht te besteden aan de investeringen, nader uitgewerkt door te bepalen, dat er bij de uiteenzetting van de financiële positie een overzicht van de investeringen wordt gegeven. Dit is nodig om ook de autorisatie van investeringskredieten mogelijk te maken. In onze gemeente wordt dit op praktische wijze ingevuld door in de uiteenzetting van de financiële positie een samenvatting van de nieuwe investeringen op te nemen en voor een specificatie te verwijzen naar een bijlage bij de begroting (het Programma Nieuwe Lasten)

Het derde lid bepaalt, dat in aanvulling op het bepaalde in het BBV de gevolgen van de begroting en meerjarenraming voor de gemeentelijke schuldpositie inzichtelijk worden gemaakt.

In het vierde lid wordt voor de jaarstukken het inzicht in de uitputting van investeringskredieten geregeld.

 

Artikel 4. Kaders begroting

Artikel 4 biedt de kaders voor het opstellen van de begroting en de meerjarenraming. Hierin staan uitgangspunten die het college bij het opstellen van deze stukken in acht moet nemen. Dit in aanvulling op de bepalingen van de artikelen 189 en 193 van de Gemeentewet en het BBV.

Het eerste lid van het artikel bepaalt, dat de gemeenteraad vooraf aan het opstellen van de begroting een kadernota vaststelt, waarin de hoofdlijnen voor het beleid en de financiële kaders voor de komende jaren zijn vastgelegd. Deze kaders worden opgenomen in de jaarlijkse kadernota en geven richting aan het college voor het opstellen van de begroting en de meerjarenraming.

Artikel 8 van het BBV zegt dat een bedrag voor onvoorzien moet zijn opgenomen in het programmaplan/de begroting. In onze gemeente is al jaren gebruikelijk een vast bedrag per inwoner op te nemen in de begroting en meerjarenraming.

 

Artikel 5. Autorisatie begroting en investeringskredieten

Artikel 5 bevat regels voor de autorisatie van de baten en lasten in de begroting en van de investeringskredieten. Op grond van artikel 189 van de Gemeentewet berust het budgetrecht bij de raad. De raad neemt uiteindelijk de beslissing welke bedragen zij voor taken en activiteiten op de begroting beschikbaar stelt. Gedurende het begrotingsjaar kan de raad op grond van artikel 192 van de Gemeentewet besluiten nemen voor het wijzigen van de begroting. De gemeente kan slechts uitgaven doen voor de bedragen die hiervoor op de begroting zijn gebracht (derde lid van artikel 189 van de Gemeentewet). De raad kan kiezen op welk niveau hij budgetten beschikbaar stelt. Autorisatie door de raad van de baten en de lasten vindt plaats op het niveau van taakvelden (eerste lid). In de oude verordening was de autorisatie per programma geregeld. Door invoering van taakvelden is er een goede tussenweg gekomen tussen de (zeer grote) omvang van de programma’s en de (te kleine) omvang van de oude producten.

Naast lopende uitgaven doet een gemeente investeringen. Ook uitgaven voor investeringen moeten door de raad worden geautoriseerd. Voor de autorisatie van deze investeringskredieten is er voor gekozen deze bij de begrotingsbehandeling mee te nemen (tweede lid). Wel kan de raad bij de begrotingsbehandeling aangegeven, welke investeringskredieten hij op een later tijdstip wenst te autoriseren. Zo kan de raad de autorisatie van politiek belangrijke investeringen combineren met de behandeling van de inhoudelijke kant van het investeringsvoorstel. Het bedrag voor een dergelijke investering blijft wel op de begroting staan als voorziene uitgaaf, maar de raad autoriseert de uitgaaf nog niet. Het college is nog niet bevoegd verplichtingen voor de investering aan te gaan.        

Het college dient dreigende overschrijdingen van geautoriseerde lasten en investeringskredieten en dreigende onderschrijdingen van geautoriseerde baten bij het bekend worden aan de raad te melden (lid 3), zodat de raad kan besluiten of het budget moet worden gewijzigd of dat het beleid moet worden bijgesteld. Voor het behandelen van de daadwerkelijke tussentijdse budgetaanpassingen en bijstellingen van beleid is er in lid 4 voor gekozen deze mee te nemen bij de behandeling van de tussenrapportages.

Meestal komen gedurende het begrotingsjaar nieuwe investeringsvoornemens op tafel, die bij het opstellen van de begroting niet waren voorzien. Het vijfde lid van het artikel regelt de autorisatie van de investeringskredieten anders dan bij vaststelling van de begroting, dus voor investeringen die zich pas in de loop van het begrotingsjaar aandienen.

 

Artikel 6  Autorisatie achteraf

Zoals eerder vermeld, is het beschikbaar stellen van budgetten op basis van de Gemeentewet een exclusief recht van de raad, dat niet kan worden overgedragen aan het college. Dit betekent dus dat het college bij alle onverwachte zaken en/of noodzakelijke kleine nieuwe verplichtingen die extra geld kosten formeel geredeneerd eerst moet wachten op een raadsbesluit tot aanvullende kredietopening. Dit doorkruist een soepele bedrijfsvoering en is natuurlijk niet praktisch. Daarom was er in de oude verordening een regeling opgenomen dat het college voor nieuwe uitgaven tot een bepaald niveau niet hoefde te wachten op een voorafgaande door de raad vast te stellen begrotingswijziging. Deze regeling is ongewijzigd overgenomen in deze nieuwe verordening en lichten wij hieronder toe

 

In dit artikel is geregeld binnen welke grensbedragen het college mag besluiten tot het doen van niet in de programmabegroting geraamde eenmalige en structurele uitgaven.

In die gevallen worden de verplichtingen dus al wel door het college aangegaan en/of de uitgaven al gedaan en wordt er pas achteraf bij een zogenaamde “administratieve” wijziging vastgesteld of wordt er bij één van de tussentijdse rapportages alsnog door de raad ingestemd met het benodigde aanvullende budget.

Het college moet er bij deze procedure natuurlijk wel op kunnen vertrouwen dat de raad hier soepel mee omgaat en dergelijke zaken niet telkens zwaar inhoudelijk gaat beschouwen. Anderzijds moet het college ook het vertrouwen, dat de raad door vaststelling van dit artikel aan het college geeft, niet schaden en dus artikel 6 alleen toepassen in die situaties waarvoor dit artikel is bedoeld.

Omdat de gevolgde lijn al vele jaren zeer goed in de praktijk werkt, is dit artikel ongewijzigd overgenomen uit de oude verordening.

 

Indien de in dit artikel vermelde grensbedragen niet worden overschreden mag het college in eerste instantie dus besluiten tot het doen van uitgaven, waarvoor nog geen budgetten beschikbaar zijn. Boven die grensbedragen moet altijd vooraf krediet worden gevraagd aan de raad (m.u.v. de afwijkende regeling voor grondexploitatie met vastgestelde exploitatieberekeningen, zie lid 4).

 

Ter voorkoming van misverstanden is het oude lid 1-b in de nieuwe verordening opgesplitst in b en c. Hierdoor wordt nu duidelijk geregeld dat investeringen van boven de € 150.000, die in meerdere jaren worden afgeschreven, altijd vooraf aan de raad ter beslissing moeten worden voorgelegd (dus ook als hieruit lagere kapitaallasten voortvloeien dan het grensbedrag van € 20.000 voor nieuwe jaarlijkse lasten). Bij de uitvoering van de oude verordening bleek dat deze intentie niet helder was geregeld.

Het kan namelijk voorkomen dat er en nieuwe investering gedaan moet worden van bijv. € 500.000 die in 40 jaar wordt afgeschreven. De jaarlijkse kapitaallasten zijn dan lager dan het grensbedrag van € 20.000 en in principe zou deze nieuwe investering dan niet vooraf aan de raad ter beslissing voorgelegd moeten worden. Wij zijn van mening dat nieuwe -niet in de begroting voorziene- investeringen van boven de € 150.0000 altijd vooraf aan de raad ter beslissing moeten worden voorgelegd. De oude verordening is ook altijd zo toegepast, alleen was het daarin niet duidelijk geregeld. De nieuwe formulering maakt een einde aan deze onduidelijkheid.

 

Lid 3 is opgenomen met het oog op de rechtmatigheid en overgenomen uit de oude verordening. Daarin is geregeld, dat bij de bepaling van de mate van overschrijding van taakvelden geen rekening wordt gehouden met verschuivingen in de toerekening van loonkosten tussen het ene en het andere taakveld. Formeel geredeneerd is elke overschrijding van een taakveld namelijk onrechtmatig; bij deze beoordeling houdt de accountant er geen rekening mee dat andere taakvelden met dezelfde bedragen aan loonkosten zijn onderschreden.

In de praktijk komt het door diverse oorzaken regelmatig voor dat bij het opmaken van de jaarstukken blijkt dat er verschuivingen hebben plaatsgevonden in de toerekening van de loonkosten van de eigen organisatie, terwijl het totaal van die toerekeningen binnen de hele begroting overeenstemt met de hiervoor geraamde bedragen. Omdat na 1 januari van een boekjaar formeel geen begrotingswijzigingen door de raad kunnen worden vastgesteld, betekent dit dat dergelijke overschrijdingen niet meer gecorrigeerd kunnen worden en automatisch als onrechtmatig worden beoordeeld door de accountant (de raad heeft immers vooraf geen aanvullend budget geautoriseerd). Dit artikel biedt hiervoor dus een praktische oplossing.

Bij tussentijdse rapportages zal overigens wel worden nagegaan in hoeverre het mogelijk en zinvol is om de ramingen van de toerekening van de eigen loonkosten af te stemmen op de werkelijke toerekeningen.

 

Lid 4 is ook ongewijzigd overgenomen uit de oude verordening en heeft betrekking op beschikbaar stellen van kredieten voor grondexploitatie-activiteiten. Voorzover hiervoor actuele door de raad vastgestelde exploitatieopzetten voorhanden zijn, is de bevoegdheid om krediet voor de daadwerkelijke uitvoering daarvan beschikbaar te stellen, volledig in handen van het college. De raad heeft immers bij de vaststelling van de exploitatie-opzetten ingestemd met de uitvoering en de daarin opgenomen kosten van bouwrijp maken, etc. Het is dan ook praktisch om de uitvoering hiervan, binnen de kaders van die exploitatieopzetten aan het college over te laten.

Indien er geen actueel vastgestelde exploitatieopzet voorhanden is, geldt de procedure, zoals beschreven in het 1e en 2e lid van dit artikel.

 

Artikel 7. Tussentijdse rapportage

De tussentijdse rapportages zijn een belangrijk onderdeel van de planning- en controlcyclus voor de raad. Op basis van de tussenrapportages wordt de raad op hooflijnen geïnformeerd over de uitputting van budgetten en investeringskredieten en de voortgang van de uitvoering van het beleid. Ten opzichte van de oude verordening hebben wij hieraan toegevoegd dat er ook gerapporteerd wordt over belangrijke ontwikkelingen in de verplichte paragrafen van de begroting; het moet wel om echt belangrijke zaken gaan die van invloed zijn op het beeld/de conclusies van de paragrafen.

In de oude verordening was nog sprake van twee rapportages per jaar. Met het oog op snellere informatievoorziening, transparantie en meer grip op de uitvoering (meer in control) is in de nieuwe verordening gekozen voor vier tussenrapportages per jaar.

Het tweede lid bevat bepalingen over de minimale inhoud van het financiële deel van de rapportages.

Het derde lid bepaalt welke afwijkingen ten opzichte van de begroting door het college in de tussenrapportages moeten worden toegelicht. Evenals in de oude verordening is een ondergrens opgenomen van € 50.000, echter nu per taakveld in plaats van per programma, omdat in deze verordening de autorisatie per taakveld plaatsvindt en niet meer per programma. De financiële mutaties van elke tussentijdse rapportage worden volgens de vaste gedragslijn in deze gemeente verwerkt in het eerstvolgende raadsvoorstel begrotingswijzigingen.

 

Artikel 8. Informatieplicht

In de Financiële verordening is -evenals als in de oude verordening- een aanvullend artikel opgenomen voor een nadere invulling van de informatieplicht van het college aan de raad. Het betreft een uitwerking van het vierde lid van artikel 169 Gemeentewet. Dat artikel van die wet verplicht het college vooraf aan het aangaan van bepaalde verplichtingen de raad inlichtingen te verstrekken indien de raad daarom verzoekt of indien de uitoefening van deze bevoegdheden van het college ingrijpende gevolgen heeft voor de gemeente. In artikel 8 van de Financiële verordening verzoekt de raad het college om informatie vooraf aan het aangaan van de opgesomde rechtshandelingen met een financieel gevolg, indien het aangaan van deze verplichtingen de in het artikel genoemde bedragen overschrijden.

De bepalingen uit het artikel ontslaan het college niet van de informatieplicht in andere gevallen. Ook moeten besluiten van het college voor het doen van privaatrechtelijke rechtshandelingen passen binnen de kaders van het beleid dat door de raad is uiteengezet.

Het artikel 8 van de Financiële verordening schept slechts duidelijkheid tussen het college en de raad over de vraag wanneer de raad in elk geval vooraf wenst te worden geïnformeerd en in de gelegenheid wil worden gesteld zijn wensen en bedenkingen aan het college kenbaar te maken. In de nieuwe verordening is hierover alleen een bepaling opgenomen voor het verstrekken van leningen, waarborgen en garanties groter dan € 1.000.000. In de oude verordening was, naast deze bepaling. aanvullend op de Gemeentewet een bepaling opgenomen over het aangaan van verplichtingen voor werken en diensten. Deze bepaling is niet overgenomen in de nieuwe verordening, omdat in het door de raad vastgestelde inkoop- en aanbestedingsbeleid voldoende waarborgen zijn vastgelegd. Bovendien is de raad bij grote werken en omvangrijke nieuwe diensten vooraf al geïnformeerd in voorstellen tot het beschikbaar stellen van de benodigde budgetten. Tenslotte zal het college de raad bij politiek gevoelige zaken vooraf informeren en gelegenheid geven om wensen en bedenkingen kenbaar te maken.

 

Lid 2 is ongewijzigd uit de oude verordening overgenomen. Dit heeft betrekking op de achtervangovereenkomsten, die het college tot nu toe altijd heeft gesloten voor woningbouw. Formeel zou dit telkens vooraf aan de raad voorgelegd moeten worden, hetgeen mede met het oog op de beperkte risico’s niet praktisch zou zijn. Daarom is deze bevoegdheid ook in de nieuwe verordening uitgezonderd.

 

Artikel 9. EMU-saldo

Voor gemeenten is in de Wet houdbare overheidsfinanciën vastgelegd, dat ze een aandeel hebben in het plafond voor het totale EMU-tekort van Nederland. Wordt dit gemeentelijk aandeel in het EMU-tekort door de gezamenlijke gemeenten overschreden, dan kan dat tot een correctieve maatregel van het Rijk leiden of tot een boete uit Europa die naar gemeenten wordt doorvertaald. Maar het kan ook zijn, dat de overschrijding niet tot aanvullend beleid van het Rijk of Europa leidt.

Gemeenten krijgen in het voorjaar van het Rijk bericht of het gemeentelijk aandeel in het nationale toegestane EMU-tekort met de lopende begroting dreigt te worden overschreden. Ook wordt dan duidelijk of daarop actie van gemeenten is gewenst. Pas als dit laatste het geval is, moeten gemeenten met een individueel EMU-saldo hoger dan de gemeentelijke EMU-referentiewaarde hun begroting neerwaarts bijstellen om de overschrijding van het collectieve aandeel ongedaan te maken.  

In het artikel is opgenomen dat het college de raad informeert als de gemeente van het Rijk een bericht heeft ontvangen dat het toegestane EMU-tekort voor alle gemeenten dreigt te worden overschreden. Als daarop actie nodig is van de gemeente, doet het college een voorstel voor het wijzigen van de begroting.

 

Artikel 10. Waardering & afschrijving vaste activa

In het tweede lid, onder a, van artikel 212 van de Gemeentewet is opgenomen, dat de financiële verordening in elk geval de regels voor waardering en afschrijving van activa bevat. Hieraan is in artikel 10 invulling gegeven. Voor de bepalingen over afschrijvingsmethodieken en afschrijvingstermijnen van de materiële en immateriële vaste activa wordt in de verordening verwezen naar de bijlage bij de verordening. In de bijlage zijn de methodiek en de afschrijvingstermijnen voor de verschillende categorieën immateriële vaste activa, materiële vaste activa met economisch nut en materiële vaste activa met maatschappelijk nut opgenomen.  

Vanaf 1 januari 2017 is ook het activeren van investeringen met maatschappelijk nut verplicht. Het BBV laat een aanzienlijke beleidsvrijheid aan gemeenten voor het zelf vaststellen van de eigen afschrijvingsmethodieken en afschrijvingstermijnen. Natuurlijk geldt hierbij wel het criterium dat gemeenten de afschrijvingsmethodiek en afschrijvingstermijn van een actief moeten afstemmen op de verwachte gebruiksduur. Indien dit wordt nagelaten, wordt het getrouwe beeld van de jaarstukken aangetast.

In de oude verordening was hierop eigenlijk al geanticipeerd en werden investeringen met een maatschappelijk nut, zoals wegen, plantsoenen, kunstwerken in de openbare ruimten als regel geactiveerd en afgeschreven in 20 jaar. Het blijft discutabel welke afschrijvingstermijnen te hanteren voor deze categorie van investeringen. Met het oog op de duidelijkheid en het doortrekken van de vaste lijn (is ook al toegepast in het PNL 2017-2020) hebben wij besloten om de vaste afschrijvingstermijn van 20 jaar te handhaven.

 

Ook de overige afschrijvingstermijnen en de methode van annuïteitsgewijs afschrijven zijn nog actueel en zeer praktisch. Daarom zijn deze uitgangspunten zoveel mogelijk ongewijzigd overgenomen uit de oude verordening.

Wel zijn de afschrijvingsregels en -termijnen, waar nodig, afgestemd op de nieuwe voorschriften. Tevens zijn ze meer overzichtelijk gepresenteerd in een aparte bijlage bij artikel 10 en beter gegroepeerd (voorheen in een uitgebreid artikel in de verordening).

 

Artikel 11. Reserves en voorzieningen

In het eerste lid wordt voor wat betreft het al dan niet bereken van rente over reserves en voorzieningen verwezen naar het eerder door de raad vastgestelde Renterapport (bij de Kadernota 2017). Daarin zijn de uitgangspunten voor renteberekening en -toerekening volledig afgestemd op het nieuwe BBV en uitgebreid toegelicht.

Het tweede lid bepaalt, dat het college eens in de vier jaar een nota over de reserves en voorzieningen aan de raad aanbiedt. Met het vaststellen van deze nota stelt de raad de kaders vast voor de vorming van reserves en voorzieningen.

Voor een investeringsvoornemen kan de raad een bestemmingsreserve vormen. Een deel van de algemene reserve wordt hiervoor afgezonderd. Hiermee wordt op de balans van de gemeente tot uitdrukking gebracht, dat een toekomstige investering in de loop van de jaren door de afschrijvingen een beslag op het eigen vermogen gaat leggen. In het derde lid zijn de voorwaarden voor een dergelijke bestemmingsreserve opgenomen.

Investeringsvoornemens leiden niet altijd tot investeringen. Er bestaat het gevaar, dat bestemmingsreserves op de balans blijven staan waar tegenover in het geheel geen investeringsvoornemens meer bestaan. Door voor elke nieuwe bestemmingsreserve voor een investeringsvoornemen een maximale “houdbaarheidsdatum” op te nemen kan dit worden voorkomen. Hiervoor is in de verordening de bepaling (vierde lid) opgenomen dat bestemmingsreserves die de houdbaarheidsdatum hebben overschreden, vervallen en weer aan de algemene reserve worden toegevoegd.

 

Artikel 12. Kostprijsberekening

Artikel 212 Gemeentewet bepaalt in het tweede lid, onder b, dat de verordening in ieder geval de grondslagen bevat voor de berekening van de door het gemeentebestuur in rekening te brengen prijzen en van tarieven voor rechten als bedoeld in artikel 229b en heffingen als bedoeld in artikel 15.33 van de Wet milieubeheer. De grondslagen voor de prijzen die de gemeente bij overheidsbedrijven en derden in rekening brengt en voor de tarieven van rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht, worden gevormd door de opbouw van de kostprijs.

Met de herziening van het BBV met ingang van 2017 moeten de overheadkosten apart worden verantwoord. Ze worden bij de gemeente niet meer doorberekend aan de taakvelden. Daarmee vervalt de mogelijkheid om de integrale kostprijzen in de administratie van de baten en lasten op taakvelden van de begroting en de jaarstukken in beeld te brengen. De kostprijzen moeten daarom extracomptabel worden berekend en vastgelegd.

Het eerste lid van artikel 12 bepaalt, dat de kostprijsberekeningen extracomptabel worden vastgelegd en dat de kostprijzen bestaan uit de directe kosten en een opslag voor de overhead en de rente over de inzet van vreemd vermogen, reserves en voorzieningen voor de financiering van (vaste) activa die voor desbetreffende rechten en heffingen en voor de desbetreffende goederen, werken en diensten worden ingezet.

Het tweede lid bepaalt, dat ook bijdragen aan en onttrekkingen van voorzieningen voor de noodzakelijke vervanging van de betrokken activa en de afschrijvingskosten van de in gebruik zijnde activa worden betrokken bij de kostprijsberekening. Voor de gemeentelijke rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht zoals de riool- en afvalstoffenheffing, worden in de kostprijsberekening ook de compensabele btw en de gederfde inkomsten van het kwijtscheldingsbeleid meegenomen.

Het derde lid geeft aan, dat de overheadkosten die kunnen worden toegerekend aan specifieke uitkeringen en subsidies, apart onder het taakveld overhead in de administratie worden afgezonderd en in de desbetreffende verantwoordingen over de besteding aan specifieke uitkeringen en subsidies worden toegerekend.  

Het vierde en vijfde lid gaan over de toerekening van de overheadkosten aan de kostprijs van rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht en over de kostprijs van prijzen van goederen, diensten en werken die worden geleverd aan overheidsbedrijven en derden.

Het vierde lid geeft aan, dat de overheadkosten die kunnen worden toegerekend aan de activiteiten die onder de vennootschapsbelastingplicht vallen, apart onder het taakveld overhead in de administratie worden afgezonderd en in de belastingaangifte aan deze activiteiten worden toegerekend.  

Het vijfde lid geeft de definitie van de kostenverdeelsleutel voor de toerekening van de overheadkosten aan de kostprijzen van rechten en heffingen waarmee de gemeente kosten in rekening brengt zoals de afvalstoffen- en rioolheffing, en voor de toerekening van de overheadkosten aan de kostprijzen van goederen, werken en diensten die door de gemeente aan overheidsbedrijven en derden worden geleverd. De toerekening van de overheadkosten vindt plaats op basis van een opslag op het uurtarief. Deze opslag wordt bepaald door de overheadkosten te delen door het aantal aan de taakvelden toe te rekenen uren. Om te grote herverdeeleffecten te voorkomen, wordt bepaald dat voor de teams die aantoonbaar veel lagere overheadkosten hebben (de Helster en Openbare Werken) wordt uitgegaan van de helft van het overheadtarief van de overige teams.

Het zesde lid handelt over de toerekening van rente. In de Kadernota 2017 zijn de uitgangspunten voor de berekening en de toerekening van rente vastgesteld. Kortheidshalve verwijzen wij hiernaar.

Het zevende lid geeft aan, dat in de kostprijs van vennootschapsbelastingplichtige activiteiten en grondexploitaties geen rente over de inzet van reserves en voorzieningen wordt meegenomen. Die rente wordt door de rijksbelastingdienst niet als kosten geaccepteerd.

Grondexploitaties vallen bij de meeste gemeenten ook onder de vennootschapsbelastingplichtige activiteiten, maar dit hoeft niet altijd het geval te zijn. Voor de methodiek van het bepalen van de omslagrente wordt in dit lid aangesloten bij de Notitie Grondexploitaties van de Commissie BBV.

 

Artikel 13. Prijzen economische activiteiten

Als een gemeente goederen, diensten of werken levert aan overheidsbedrijven of derden dan mag zij deze activiteiten niet bevoordelen als het economische activiteiten betreffen. Economische activiteiten zijn hier activiteiten waarmee de gemeenten in concurrentie met  ondernemingen treedt.

Het bevoordelingsverbod houdt feitelijk in, dat ten minste een integrale kostprijs voor de levering van goederen, diensten en werken en het verstrekken van leningen, garanties en kapitaal in rekening moet worden gebracht.

Van deze verplichting kan worden afgeweken als de activiteiten worden ontplooid in het kader van het publiek belang. Daarvoor is wel nodig dat in een raadbesluit het publiek belang van de activiteit wordt gemotiveerd. Het raadbesluit moet worden aangemerkt als een concretiserend besluit van algemene strekking.

Voor het verplicht in rekening brengen van minimaal een integrale kostprijs voor de levering van goederen, werken en diensten of voor het verstrekken van leningen, garanties en kapitaal geldt een aantal uitzonderingen. Deze uitzonderingen worden in het vierde lid opgesomd.

 

Artikel 14. Vaststelling hoogte belastingen, rechten, heffingen en prijzen

Dit artikel en de toelichting zijn grotendeels ongewijzigd overgenomen uit de modelverordening en komen in grote lijnen overeen met de oude verordening.

Het vaststellen van de tarieven voor belastingen, rechten, leges en heffingen is een bevoegdheid van de raad. Deze bevoegdheid kan niet worden gedelegeerd (artikel 156 van de Gemeentewet). Het eerste lid van artikel 14 bepaalt, dat de raad de tarieven voor de belastingen, riool-, afvalstoffenheffing en overige heffingen jaarlijks vaststelt.  Dit betekent, dat de bijbehorende verordeningen jaarlijks worden herzien.  

Het vaststellen van prijzen voor de levering van gemeentelijke goederen, diensten of werken (die niet vallen onder artikel 229 van de Gemeentewet) is een privaatrechtelijk besluit. Deze besluiten zijn een bevoegdheid van het college (eerste lid, onder e, van artikel 160 van de Gemeentewet), maar hebben wel invloed op de hoogte van de inkomsten en raken daarom ook het budgetrecht van de raad.

Het tweede lid bepaalt, dat het college aan de raad eens in de vier jaar een nota aanbiedt met daarin de kaders voor resp. de te hanteren prijzen, huren en (indien van toepassing) tarieven voor erfpacht. De raad stelt deze nota vast.

Het derde lid bepaalt dat besluiten tot wijziging van prijzen/vaststelling van nieuwe prijzen aan de raad ter kennisneming worden gezonden, conform de tot nu toe gevolge lijn. De modelverordening heeft een hiervan afwijkende bepaling op grond waarvan elke (kleine) afwijking van het vastgestelde beleid vooraf voor afzonderlijke besluitvorming aan de raad moet worden voorgelegd. Dit is echter niet praktisch; door toezending ter kennisneming en een goede onderbouwing waarom in een bepaalde situatie gezocht is naar “een stukje maatwerk” zijn er voldoende waarborgen dat er binnen de door de raad vastgestelde kaders wordt gehandeld.

 

Hoofdstuk 4. Kapitaalgoederen en grondexploitatie

Het BBV geeft in een aantal artikelen aan welke informatie de verplichte zeven paragrafen in ieder geval moet bevatten (paragrafen lokale heffingen, weerstandsvermogen en risicobeheersing, onderhoud kapitaalgoederen, financiering, bedrijfsvoering, verbonden partijen en grondbeleid).

Onder andere in de financiële verordening kan de raad bepalen of en zo ja welke aanvullende informatie in de paragrafen moet worden opgenomen. Hoofdstuk 4 van de modelverordening van de VNG geeft hiervoor vrij willekeurig een aantal voorbeelden. Wij hebben besloten de betreffende (voorbeeld-) artikelen niet over te nemen uit de modelverordening. De paragrafen bevatten namelijk al veel verplicht voorgeschreven informatie. Waar dit zinvol is voegt het college hieraan al aanvullende informatie toe. De informatiebehoefte zal ook niet elk jaar hetzelfde zijn en voor elke wijziging zou de verordening op de nieuwe informatiebehoefte moeten worden afgestemd, hetgeen niet praktisch is.

 

Artikel 15. Onderhoud kapitaalgoederen

Dit artikel bepaalt, dat het college ten minste eens in de vier jaar de raad onderhoudsplannen aanbiedt over het onderhoud van resp. openbare ruimte, riolering en gebouwen. Hiermee kan de raad de kaders voor het toekomstig onderhoudsniveau vaststellen.

Voor het Gemeentelijke Rioleringsplan is, in overeenstemming met de geldigheidsduur van het huidige GRP, een termijn van 5 jaar aangehouden.

 

Artikel 16. Grondbeleid

Dit artikel bepaalt, dat het college eens de vier jaar aan de raad een nota grondbeleid aanbiedt en geeft aan welke onderwerpen daarin zoal aan de orde komen. Bij de start van de samenstelling van de nota wordt beoordeeld welke andere onderwerpen van belang zijn om op te nemen. Met de nota stelt de raad de kaders voor het grondbeleid vast.

 

Artikel 17. Administratie

Onder dit artikel van de modelverordening zijn algemene bepalingen opgenomen voor de inrichting van de gemeentelijke administratie. Op hoofdlijnen wordt opgedragen welke gegevens systematisch moeten worden vastgelegd en aan welke eisen deze gegevens en de vastlegging ervan moeten voldoen.

 

Artikel 18. Financiële organisatie

Artikel 18 (ongewijzigd uit modelverordening) geeft de uitgangspunten voor de financiële organisatie en draagt het college op hiervoor zorg te dragen. Het college is op grond van artikel 160 van de Gemeentewet bevoegd regels te stellen over de ambtelijke organisatie. Deze bevoegdheid betreft ook het stellen van regels voor de financiële organisatie. Dit blijkt uit het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State en het nader rapport uit 2003 over de wijziging van artikel 212 van de Gemeentewet.

Artikel 18 geeft een opsomming op welke terreinen van de financiële organisatie het college beleid en interne regels moet stellen. Om hier invulling aan te geven ligt het voor de hand, dat het college een organisatiebesluit en een treasurystatuut vaststelt en dat het college de volmachten en mandaten alsook de kostenverdeelsleutels voor de (extracomptabele) kostentoerekening vastlegt.

Bij het beleid en de interne regels voor de inkoop en aanbesteding kan gedacht worden aan een inkoopreglement en ook aan gemeentelijke inkoopvoorwaarden.

Bij het beleid en de interne regels voor steunverlening en subsidieverstrekking gaat het om procedures die naleving van de Europese staatssteunregels en regels voor diensten van algemeen economisch belang, de Algemene wet bestuursrecht en de gemeentelijke subsidieverordening waarborgen.

In geval van misbruik en oneigenlijk gebruik gaat het bijvoorbeeld om het treffen van voldoende verificatiemaatregelen vooraf van de antecedenten van een aanvrager van een gemeentelijke subsidie, zodat subsidies wel daadwerkelijk worden verstrekt aan rechthebbenden.

De uitgangspunten voor de financiële organisatie zijn nodig om voor het financieel beheer en het financieel beleid aan de eisen voor rechtmatigheid, controle en verantwoording te voldoen. Ze creëren de randvoorwaarden, waarop de interne controle en de accountantscontrole kan steunen bij het onderzoek naar de rechtmatigheid van de beheershandelingen met een financieel gevolg en de getrouwheid van de jaarrekening.

   

Artikel 19. Interne controle

De accountant toetst jaarlijks of de gemeenterekening een getrouw beeld geeft van de gemeentelijke financiën en of de (financiële) beheershandelingen die eraan ten grondslag liggen, rechtmatig zijn verlopen. Het eerste lid van artikel 19 draagt het college op maatregelen te treffen, zodat gedurende het jaar of vooraf aan de accountantscontrole de gemeente zelf nagaat of de cijfers in de administraties een getrouw beeld geven en of de financiële beheershandelingen die aan de baten, de lasten en de balansmutaties ten grondslag liggen, rechtmatig (zijn) verlopen.

Het tweede lid bepaalt, dat het college maatregelen treft, zodat wordt gecontroleerd of de administratie van materiele bezittingen zoals gebouwen, voertuigen, computers, voorraden en de administratie van het financieel vermogen zoals aandelen en overeenkomsten van leningen, geldmiddelen, debiteurenvorderingen e.d. overeenkomen met hetgeen de gemeente daadwerkelijk bezit. Voor veel van deze bezittingen wordt een jaarlijkse controle gevraagd.

Eens in vier jaar moet worden gecontroleerd of de administratie van registergoederen en bedrijfsmiddelen overeenkomt met het daadwerkelijke bezit.      

 

Artikel 20. Intrekken oude verordening en overgangsrecht en

Artikel 21. Inwerkingtreding en citeertitel

De nieuwe verordening treedt volgens artikel 21 inwerking op 1 januari 2017 en is van toepassing op alle stukken die betrekking hebben op het begrotingsjaar 2017 en later. De oude verordening is ondanks het intrekken nog wel van toepassing op de jaarstukken 2016, die begin 2017 worden opgesteld. Hiervoor is in artikel 20, eerste lid, een overgangsbepaling opgenomen.

 

Met ingang van 1 januari 2017 gelden vanwege de wijzigingen van het BBV andere bepalingen voor het activeren en afschrijven van nieuwe investeringen met maatschappelijk nut. In het tweede lid van artikel 20 is een overgangsbepaling opgenomen. Voor investeringen met maatschappelijk nut voor 2017 zijn de bepalingen uit de oude financiële verordening nog van kracht.

financiele verordening 161206.

financiele verordening 161206. (PDF)
Omschrijving: