Disclaimer

In het onderdeel Regelgeving vindt u geldende algemeen verbindende voorschriften (verordeningen) en beleidsregels van de gemeente Overbetuwe. De complete tekst, waarin alle wijzigingen zijn verwerkt, is gepubliceerd. De informatie in dit onderdeel vormt geen bekendmaking in de zin van de Gemeentewet of de Algemene wet bestuursrecht. Alleen publicatie in het binnen de gemeente te verspreiden huis-aan-huisblad heeft een officieel karakter.

Zoeken in regelgeving

            

Maatregelverordening Wet werk en bijstand gemeente Overbetuwe

Voor deze verordening versie is geen samenvatting ingevoerd.

Gegevens van de regeling

Overheidsorganisatie Gemeente Overbetuwe
Officiële naam regeling Wijzigingsverordening rechtmatigheid gemeente Overbetuwe 2007
Citeertitel Wijzigingsverordening rechtmatigheid gemeente Overbetuwe 2007
Vastgesteld door gemeenteraad
Deze versie is geldig tot (als de vervaldatum is vastgesteld) 01-07-2010
Onderwerp maatschappelijke zorg en welzijn
Opmerkingen m.b.t. de regeling Geen.
Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving) Geen.
Betreft (aard van de wijziging) art. 7 en 9
Datum van inwerkingtreding van (een versie van) de regeling 03-01-2008
Datum terugwerkende kracht (t/m) van (een versie van) de regeling 01-08-2007
Datum ondertekening van (een wijziging van) de regeling 18-12-2007
Bron bekendmaking van (een wijziging van) de regeling Hét Gemeente Nieuws; 27-12-2007
Kenmerk voorstel 07rb000160

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

Gemeentewet en de specifieke bijzondere wetten

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding Terugwerkende kracht t/m Datum uitwerkingtreding Betreft Datum ondertekening
Bron bekendmaking
Kenmerk
voorstel
03-01-2008 01-08-2007 01-07-2010 art. 7 en 9 18-12-2007
Hét Gemeente Nieuws; 27-12-2007
07rb000160
01-08-2007 01-07-2010 nieuwe regeling 26-06-2007
Hét Gemeente Nieuws; 11-07-2007
07RB000107

Onderwerp: Maatregelverordening Wet werk en bijstand gemeente Overbetuwe 2007

 

Ons kenmerk: 07rb000107

 

Nr. 9

 

De raad van de gemeente Overbetuwe;

 

gelezen het raadsvoorstel van burgemeester en wethouders van 23 april 2007;

 

gelezen het advies van de commissie Burger van 31 mei 2007;

 

gelet op artikel 8, eerste lid, onderdeel b, en artikel 18 van de Wet werk en bijstand;

 

overwegende dat de raad bij verordening regels moet stellen over het verlagen van de bijstand en de langdurigheidstoeslag;

 

b e s l u i t

 

vast te stellen de

 

Maatregelverordening Wet werk en bijstand gemeente Overbetuwe 2007

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

Deze verordening verstaat onder:

  1. a.de wet: de Wet werk en bijstand;

  2. b.reïntegratieverordening: Reïntegratieverordening Wet werk en bijstand Overbetuwe 2005;

  3. c.het college: het college van burgemeester en wethouders;

  4. d.maatregel: het verlagen van de bijstand of de langdurigheidstoeslag op grond van artikel 18, tweede lid, van de wet;

  5. e.trajectplan: overeenkomst tussen college en belanghebbende inzake de vorm en de inhoud van de arbeidsinschakeling;

  6. f.voorziening: voorziening als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder a. van de wet, dan wel op grond van de reïntegratieverordening;

  7. g.inlichtingenplicht: de verplichtingen genoemd in artikel 17, eerste, tweede en vierde lid van de wet en de artikelen 28, tweede lid, en 29, eerste lid van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;

  8. h.tekortschietend besef van verantwoordelijkheid: het verrichten of nalaten van handelingen door belanghebbende waardoor onnodig een beroep op bijstand wordt gedaan;

  9. i.benadelingsbedrag: het door de gemeente ten onrechte uitbetaalde bedrag aan bijstand verhoogd met de loonbelasting en de premies volksverzekeringen waarvoor de gemeente die de bijstand verstrekt op grond van Wet op de loonbelasting 1964 inhoudingsplichtige is, alsmede met de ziekenfondspremie, of het door de gemeente ten onrechte bestede bedrag aan reïntegratiemiddelen.

Artikel 2 Werkingssfeer van de verordening

Op personen, ten aanzien waarvan de uitvoering van de wet door het college aan de Sociale Verzekeringsbank (SVB) is gemandateerd, zijn de bepalingen van deze verordening niet van toepassing, voor zover deze bepalingen afwijken van het beleid van de Sociale Verzekeringsbank.

Hoofdstuk 2 De maatregel

Artikel 3 Het opleggen van een maatregel

  1. 1.Als de belanghebbende naar het oordeel van het college tekortschietend besef van verantwoordelijkheid toont voor de voorziening in het bestaan of de uit de wet of de artikelen 28, tweede lid, of 29, eerste lid van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende nakomt, waaronder begrepen het zich jegens het college zeer ernstig misdragen, wordt overeenkomstig deze verordening een maatregel opgelegd.

  2. 2.Een maatregel wordt afgestemd op:

    1. a.de ernst van de gedraging door de belanghebbende;

    2. b.de mate waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten; en

    3. c.de omstandigheden waarin de belanghebbende verkeert.

Artikel 4 Berekeningsgrondslag

  1. 1.De maatregel wordt toegepast op de bijstandsnorm, als bedoeld in artikel 5, onder c, van de wet.

  2. 2.In afwijking van het eerste lid kan de maatregel worden toegepast op de bijzondere bijstand of de langdurigheidstoeslag als:

    1. a.aan belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met toepassing van artikel 12 van de wet; of

    2. b.de verwijtbare gedraging van de belanghebbende, in relatie met zijn recht op bijzondere bijstand of de langdurigheidstoeslag, daartoe aanleiding geeft.

Artikel 5 Afzien van het opleggen van een maatregel

  1. 1.Het college ziet af van het opleggen van een maatregel als:

    1. a.elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt; of

    2. b.de gedraging meer dan één jaar voor constatering van die gedraging door het college heeft plaatsgevonden, tenzij de gedraging een schending van de inlichtingenplicht inhoudt en als gevolg van die gedraging ten onrechte bijstand is verleend. Een maatregel wegens schending van de inlichtingenplicht wordt niet opgelegd na verloop van vijf jaren nadat de betreffende gedraging heeft plaatsgevonden.

  2. 2.Het college kan afzien van het opleggen van een maatregel als het daarvoor dringende redenen aanwezig acht.

Artikel 6 Ingangsdatum en tijdvak

  1. 1.De maatregel wordt opgelegd met ingang van de eerst volgende kalendermaand volgend op de datum waarop het besluit tot het opleggen van de maatregel aan de belanghebbende bekend is gemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de voor die maand geldende bijstandsnorm.

  2. 2.In afwijking van het eerste lid, kan de maatregel met terugwerkende kracht worden opgelegd, voor zover de bijstand of de langdurigheidstoeslag nog niet is uitbetaald.

  3. 3.In afwijking van het eerste en tweede lid, kan de maatregel met terugwerkende kracht worden opgelegd, als het niet mogelijk is de maatregel op te leggen door middel van verlaging van de uitkering in de eerstvolgende maand(en).

  4. 4.Als een maatregel niet kan worden opgelegd wegens beëindiging van het recht op uitkering, kan de van toepassing zijnde maatregel alsnog worden opgelegd, als aan belanghebbende binnen een jaar na de einddatum van de uitkering opnieuw bijstand wordt toegekend.

  5. 5.Een maatregel wordt voor bepaalde tijd opgelegd. Een maatregel die voor een periode van meer dan drie maanden wordt opgelegd, wordt uiterlijk na 3 maanden, nadat deze ten uitvoer is gelegd, heroverwogen.

Artikel 7 Samenloop van gedragingen

Als een belanghebbende zich tegelijkertijd schuldig maakt aan verschillende gedragingen die het niet nakomen van een verplichting als genoemd in artikel 3, eerste lid van deze verordening, inhouden, wordt voor het bepalen van de hoogte en duur van de maatregel uitgegaan van de gedraging, waarop de zwaarste maatregel is gesteld.

Hoofdstuk 3 Geen of onvoldoende medewerking verlenen aan het verkrijgen of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid

Artikel 8 Indeling in categorieën

Gedragingen van een belanghebbende waardoor de verplichting op grond van artikel 9 van de wet niet of onvoldoende is nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën:

A.

1e categorie:

 

 

het niet ondertekenen van een trajectplan of het niet aan het college verstrekken van een getekend exemplaar van een trajectplan.

B.

2e categorie:

 

 

a.

het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij de Centrale organisatie werk en inkomen of het niet tijdig laten verlengen van de registratie bij de Centrale organisatie werk en inkomen;

 

b.

het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen of te aanvaarden;

 

c.

het niet in voldoende mate meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling;

 

d.

het langer dan de in artikel 13 van de wet genoemde duur verblijf houden buiten Nederland, tenzij tijdens die langere duur aantoonbaar voldoende getracht is algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen.

 

C.

3e categorie:

 

 

a.

gedragingen die de inschakeling in arbeid belemmeren;

 

b.

het niet of in onvoldoende mate gebruiken van een door het college aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel b en artikel 10, eerste lid van de wet, waaronder begrepen sociale activering, voor zover dit niet heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van het reïntegratietraject;

 

c.

het niet in voldoende mate nakomen van een verplichting, opgelegd op grond van artikel 55 van de wet.

 

D.

4e categorie:

 

 

a.

het niet aanvaarden van een detacheringsbaan, als bedoeld in artikel 13 van de reïntegratieverordening, of algemeen geaccepteerde arbeid;

 

b.

het door eigen toedoen niet behouden van een detacheringsbaan, als bedoeld in artikel 13 van de reïntegratieverordening, of algemeen geaccepteerde arbeid;

 

c.

het niet of in onvoldoende mate gebruiken van een door het college aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel b en artikel 10, eerste lid  van de wet, waaronder begrepen sociale activering, als dit heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van het reïntegratietraject.

Artikel 9 De hoogte en duur van de maatregel

  1. 1.Onverminderd artikel 3, tweede lid van deze verordening, wordt de maatregel vastgesteld op:

    1. a.10% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij een gedraging van de 1e categorie;

    2. b.20% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij een gedraging van de 2e categorie;

    3. c.50% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij een gedraging van de 3e categorie;

    4. d.100% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij een gedraging van de 4e categorie.

  2. 2.De duur van de maatregel als bedoeld in het eerste lid wordt verdubbeld, als de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel is opgelegd, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging van dezelfde of hogere categorie. Het besluit waarbij van het opleggen van een maatregel om dringende redenen wordt afgezien, wordt gelijkgesteld met het besluit tot het opleggen van een maatregel.

Hoofdstuk 4 Niet nakomen van de inlichtingenplicht

Artikel 10 Te laat verstrekken van gegevens

  1. 1.Als een belanghebbende de verplichting op grond van artikel 17 van de wet niet is nagekomen door informatie die van belang is voor de verlening van bijstand of de voortzetting daarvan niet binnen de daartoe door het college gestelde termijn te verstrekken, wordt volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing.

  2. 2.In afwijking van het eerste lid en onverminderd artikel 3, tweede lid van deze verordening wordt, als het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting op grond van artikel 17 van de wet plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de dag waarop eerder aan de belanghebbende een schriftelijke waarschuwing is gegeven, een maatregel opgelegd van 10% van de bijstandsnorm gedurende één maand.

Artikel 11 Verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen met gevolgen voor de bijstand of reïntegratiemiddelen

  1. 1.Als het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht bedoeld in artikel 17 van de wet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand of inzetten van reïntegratiemiddelen, wordt de maatregel afgestemd op de hoogte van het benadelingsbedrag.

  2. 2.Onverminderd artikel 3, tweede lid van deze verordening, wordt de maatregel op de volgende wijze vastgesteld:

    1. a.bij een benadelingsbedrag tot € 1.000: 10% van de bijstandsnorm gedurende één maand;

    2. b.bij een benadelingsbedrag van € 1.000 tot € 2.000: 20% van de bijstandsnorm gedurende één maand;

    3. c.bij een benadelingsbedrag van € 2.000 tot € 4.000: 40% van de bijstandsnorm gedurende één maand;

    4. d.bij een benadelingsbedrag van € 4.000 of meer: 100% van de bijstandsnorm gedurende één maand.

Artikel 12 Verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen zonder gevolgen voor de bijstand of reïntegratiemiddelen

  1. 1.Als het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht bedoeld in artikel 17 van de wet niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand of inzetten van reïntegratiemiddelen, bedraagt de maatregel, onverminderd artikel 3, tweede lid van deze verordening, 5% van de bijstand gedurende één maand.

  2. 2.Van het opleggen van een maatregel als bedoeld in het eerste lid kan worden afgezien en worden volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing, tenzij het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de belanghebbende een schriftelijke waarschuwing is gegeven.

Artikel 13 Verdubbeling maatregel

De duur van de maatregel, als bedoeld in de artikelen 10, 11 en 12 van deze verordening, wordt verdubbeld, als de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel is opgelegd, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging van dezelfde of hogere categorie. Het besluit waarbij van het opleggen van een maatregel om dringende redenen wordt afgezien, wordt gelijkgesteld met het besluit tot het opleggen van een maatregel.

Hoofdstuk 5 Overige gedragingen die leiden tot een maatregel

Artikel 14 Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid

  1. 1.Onverminderd artikel 3, tweede lid van deze verordening wordt, als een belanghebbende een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan, anders dan door gedragingen als bedoeld in artikel 8 van deze verordening, heeft betoond als bedoeld in artikel 18, tweede lid van de wet, de bijstand verlaagd.

  2. 2.Onder tekortschietend besef wordt in ieder geval begrepen het op onverantwoorde wijze besteden van vermogen, inbegrepen het doen van een schenking, voorafgaand aan of tijdens de bijstandsverlening.

  3. 3.De maatregel bedraagt 100% van de bijstandsnorm voor de duur van de periode dat belanghebbende als gevolg van zijn gedraging langer recht heeft op bijstand.

  4. 4.De maatregel wordt gewijzigd na 3 maanden naar 50% van de bijstandsnorm voor de resterende duur van de periode dat belanghebbende als gevolg van zijn gedraging langer recht heeft op bijstand.

Artikel 15 Zeer ernstige misdragingen

  1. 1.Als een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt jegens het college of zijn ambtenaren, onder omstandigheden, die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van de wet, als bedoeld in artikel 18, tweede lid van de wet, wordt, onverminderd artikel 3, tweede lid van deze verordening, een maatregel opgelegd van 20% van de bijstandsnorm gedurende één maand.

  2. 2.De duur van de maatregel wordt verdubbeld, als de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel wordt opgelegd opnieuw schuldig maakt aan een op grond van het eerste lid als verwijtbaar aan te merken gedraging. Het besluit waarbij van het opleggen van een maatregel om dringende redenen wordt afgezien, wordt gelijkgesteld met het besluit tot het opleggen van een maatregel.

Hoofdstuk 6 Slotbepalingen

Artikel 16 Hardheidsclausule

Het college kan één of meerdere artikelen van deze verordening buiten toepassing laten of daarvan afwijken, voor zover toepassing, gelet op het belang van het besef van verantwoordelijkheid en het nakomen van de verplichtingen door belanghebbende,  leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Artikel 17 Intrekking oude regeling

De Maatregelverordening Wet werk en bijstand Overbetuwe 2005, zoals vastgesteld bij besluit van 2 november 2004, wordt ingetrokken.

Artikel 18 Overgangsrecht

  1. 1.De bepalingen van deze verordening zijn van toepassing op gedragingen, die hebben plaatsgevonden op of na 1 augustus 2007.

  2. 2.Als een gedraging is aangevangen voor 1 augustus 2007 en doorloopt tot op of na 1 augustus 2007, dan is die verordening van toepassing die voor belanghebbende de laagste maatregel met zich meebrengt.

Artikel 19 Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op 1 augustus 2007.

Artikel 20 Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als: Maatregelverordening Wet werk en bijstand gemeente Overbetuwe 2007.

 

Aldus besloten in zijn openbare vergadering

van 26 juni 2007

 

DE RAAD VOORNOEMD,

de griffier,

de voorzitter,

drs. A.J. van den Brink

E. Tuijnman.

 

Algemene toelichting

 

De regeling in de Wet werk en bijstand

Met de inwerkingtreding van de WWB is het systeem van boeten en maatregelen van de Algemene bijstandswet (de artikelen 14 tot en met 14f, nader uitgewerkt in het Maatregelenbesluit en Boetebesluit) komen te vervallen. In plaats daarvan zullen gemeenten zelf hun sanctiebeleid moeten gaan vormgeven. De WWB kent slechts één soort sanctie: het verlagen van de uitkering. De boete als sanctie voor uitkeringsgerechtigden die hun inlichtingenplicht hebben geschonden, is geschrapt.

 

Artikel 18 WWB bevat de opdracht aan gemeenten om een maatregelbeleid in een verordening vast te leggen. Dit artikel luidt:

  1. 1.Het college stemt de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen af op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende.

  2. 2.Indien de belanghebbende naar het oordeel van het college een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het bestaan dan wel de uit deze wet dan wel de artikelen 28, tweede lid, of 29, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende nakomt, waaronder begrepen het zich jegens het college zeer ernstig misdragen, verlaagt het college overeenkomstig de verordening, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, de bijstand of de langdurigheidstoeslag. Van een verlaging wordt afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

  3. 3.Het college heroverweegt een besluit als bedoeld in het tweede lid binnen een door hem te bepalen termijn die ten hoogste drie maanden bedraagt.

  4. 4.Bij de toepassing van het eerste lid wordt onder belanghebbende mede verstaan het gezin.

 

In het eerste lid van artikel 18 wordt gesproken over het afstemmen van de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende. In deze bepaling wordt benadrukt dat het vaststellen van de hoogte van de uitkering en de daaraan verbonden verplichtingen voor de uitkeringsgerechtigden maatwerk is, waarbij recht wordt gedaan aan de individuele situatie en de persoonlijke omstandigheden van uitkeringsgerechtigden. In het tweede lid wordt een directe koppeling gelegd tussen de rechten en verplichtingen van uitkeringsgerechtigden: het recht op een uitkering is altijd verbonden aan de plicht zich in te zetten om weer onafhankelijk van de uitkering te worden. Dit betekent dat de vaststelling van de hoogte van de uitkering niet alleen afhangt van de toepasselijke uitkeringsnorm en de beschikbare middelen van de belanghebbende, maar ook van de mate waarin de opgelegde verplichtingen worden nagekomen. Wanneer het college tot het oordeel komt dat een bijstandsgerechtigde zijn verplichtingen niet of in onvoldoende mate nakomt, wordt de uitkering verlaagd. Er is dus geen sprake van een bevoegdheid, maar van een verplichting. Alleen wanneer iedere vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, ziet het college af van een dergelijke verlaging.

Verlaging van de uitkering moet plaatsvinden overeenkomstig een door de gemeenteraad vast te stellen verordening. Dit is de maatregelverordening.

 

De term ‘maatregel’

Het verlagen van de bijstand op grond van het feit dat de belanghebbende zijn verplichtingen niet of in onvoldoende mate is nagekomen, wordt in de terminologie van de WWB aangeduid als het afstemmen van de uitkering op de mate waarin de belanghebbende de opgelegde verplichtingen nakomt. Met het begrip ‘afstemmen’ wordt het uitgangspunt van de WWB benadrukt dat rechten en plichten één kant van dezelfde medaille vormen.

Voor de duidelijkheid spreken wij over de maatregelverordening en het opleggen van een maatregel. Daarmee wordt niet alleen aangesloten bij het spraakgebruik dat sinds de Wet Boeten en Maatregelen gangbaar is, maar wordt ook het sanctionerende karakter ervan benadrukt. Het is van belang om te realiseren dat de maatregel géén punitieve sanctie is, waarbij het leedtoevoegend karakter voorop staat, maar een reparatoire sanctie (ook wel herstelsanctie genoemd), gericht op het (weer) in overeenstemming brengen van de hoogte van de bijstand met de mate waarin de bijstandsgerechtigde de aan de uitkering verbonden verplichtingen nakomt.

 

In de Memorie van Toelichting bij het ontwerp van de WWB wordt steeds gesproken over de afstemmingsverordening. Om te onderstrepen dat de verordening de juridische grondslag vormt voor gemeenten om maatregelen op te leggen wanneer een uitkeringsgerechtigde niet aan een verplichting voldoet, noemen wij de verordening een maatregelverordening.

 

Het verlagen van de bijstand

Op grond van artikel 18, tweede lid, WWB kan zowel de bijstand (dat wil zeggen: algemene bijstand en bijzondere bijstand) als de langdurigheidstoeslag worden verlaagd.

In deze voorbeeldverordening is er voor gekozen dat maatregelen in beginsel worden opgelegd over de bijstandsnorm (de op belanghebbende van toepassing zijnde norm plus eventuele toeslagen). De uitzondering hierop vormt de bijzondere bijstand voor jongeren van 18 tot 21 jaar. Deze groep ontvangt een lage algemene bijstandsuitkering die wordt aangevuld door middel van aanvullende bijzondere bijstand in de kosten van levensonderhoud. Indien de maatregel alleen op de lage jongerennorm wordt opgelegd, zou dit leiden tot rechtsongelijkheid ten opzichte van de groep 21-jarigen en ouder.

 

De keuze om niet in zijn algemeenheid maatregelen toe te passen op de langdurigheidstoeslag houdt verband met artikel 36, eerste lid sub c.

Op grond van deze bepaling moet het college de langdurigheidstoeslag weigeren als iemand gedurende 60 maanden (= vijf jaar) naar het oordeel van het college onvoldoende heeft getracht algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en aanvaarden. De verplichting om de langdurigheidstoeslag te weigeren verhoudt zich niet met een eventuele verplichting deze toeslag te verlagen. Het ligt niet voor de hand om niet-bijstandsgerechtigden die in aanmerking komen voor een langdurigheidstoeslag een maatregel op te leggen. De enige verplichting die zij kunnen schenden in verband met de langdurigheidstoeslag is het verstrekken van geen of onvoldoende gegevens waardoor het college de rechtmatigheid van het verlenen van deze uitkering niet kan vaststellen. De sanctie die hierop rust is niet het verlagen van de langdurigheidstoeslag, maar het weigeren van deze toeslag.

 

Gezien het karakter van de bijzondere bijstand, ligt een verlaging van het uitkeringsbedrag wegens schending van een of meer verplichtingen ook niet in de rede. Wel kan bij de beoordeling of iemand in aanmerking komt voor bijzondere bijstand een rol spelen of betrokkene zijn verplichtingen in voldoende mate is nagekomen. Dit geldt dan vooral voor de plicht om voldoende besef van verantwoordelijkheid te tonen voor de voorziening in het bestaan.

 

De relatie met de reïntegratieverordening

In de reïntegratieverordening wordt vastgelegd hoe de gemeente de cliënten gaat ondersteunen bij de arbeidsinschakeling en hoe zij omgaan met het aanbieden van voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling. Voorbeelden van voorzieningen zijn: scholing, loonkostensubsidies, gesubsidieerde arbeid, sociale activering, premies, kinderopvang en stages. In beginsel wordt aan iedere cliënt de arbeidsverplichting opgelegd. De algemene verplichting staat in de wet genoemd. Gemeenten kunnen deze verplichting echter ook nader specificeren (invullen met specifieke voorzieningen) en de specificaties in de beschikking vastleggen. In de reïntegratieverordening wordt aandacht geschonken aan de voorzieningen die de gemeente kan inzetten. De vertaling daarvan vindt plaats in de individuele beschikking. Indien een cliënt de verplichtingen niet nakomt, leidt dit in beginsel tot een maatregel, waarvoor de basis is gelegd in de maatregelverordening.

 

Voorts is in de WWB de inlichtingenplicht uitgebreid naar feiten of omstandigheden waarvan belanghebbende redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling. Het ligt in de rede om ook hier de koppeling met de reïntegratieverordening te maken. In de begripsbepalingen in artikel 1 van de verordening wordt het begrip benadelingsbedrag dan ook vertaald naar zowel de bijstand als de inzet van reïntegratiemiddelen.

 

Regelen in de verordening of in beleidsregels

In deze verordening is er voor gekozen de gedragingen in hoofdlijnen vast te leggen. Dit betekent dat er zonodig nadere beleidsregels kunnen worden vastgelegd, bijvoorbeeld welke gedragingen vallen onder de algemeen omschreven aanduidingen. Het opstellen van beleidsregels kan ook aan de orde zijn bij het beoordelen van de mate van verwijtbaarheid en eventuele verzachtende omstandigheden.

 

Artikelsgewijze toelichting

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

De begrippen die in de verordening worden gebruikt hebben een gelijkluidende betekenis als de omschrijving in de WWB en in de Algemene wet bestuursrecht.

 

Zo wordt in de verordening het begrip ‘belanghebbende’ gebruikt. Dit begrip wordt in artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht omschreven als ‘degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken’.

Artikel 2 Werkingssfeer

In dit artikel wordt vastgelegd dat de regels van de maatregelverordening niet van toepassing zijn op het 65+-bestand, dat aan de SVB overgedragen zal worden.

 

De SVB wenst een eenduidig beleid te kunnen voeren ten aanzien van het opleggen van maatregelen. Overigens geldt deze uitzondering alleen voor het schenden van de inlichtingenplicht. Maatregelen wegens het niet voldoen aan de arbeidsverplichtingen (wat zich alleen kan voordoen bij een jongere partner), worden opgelegd overeenkomstig deze verordening. Hiervoor heeft de SVB geen afwijkende regels.

Hoofdstuk 2 De maatregel

Artikel 3 Het opleggen van een maatregel

Lid 1

De WWB verbindt aan het recht op een bijstandsuitkering de volgende verplichtingen:

  1. 1.Het tonen van voldoende besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan (artikel 18, tweede lid).

  2. 2.De plicht tot arbeidsinschakeling (artikel 9). Deze plicht bestaat uit twee soorten verplichtingen:

    • -de plicht om naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en deze te aanvaarden; en

    • -de plicht gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening gericht op ondersteuning bij arbeidsinschakeling. Deze verplichtingen zullen nader moeten worden uitgewerkt in specifieke verplichtingen die zijn toegesneden op de situatie en mogelijkheden van de bijstandsgerechtigde. De reïntegratieverordening die elke gemeente moet opstellen, vormt de juridische basis voor opleggen van deze specifieke verplichtingen. Deze verplichtingen zullen in het besluit tot het verlenen van bijstand moeten worden neergelegd.

  3. 3.De informatieplicht (artikel 17, eerste lid). Op een uitkeringsgerechtigde rust de verplichting aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling te doen van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.

  4. 4.De medewerkingsplicht (artikel 17, tweede lid). Dit is de plicht van uitkeringsgerechtigden om desgevraagd het college de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de wet. De medewerkingsplicht kan uit allerlei concrete verplichtingen bestaan, zoals:  

    • -het toestaan van een huisbezoek;

    • -het meewerken aan een psychologisch onderzoek.

  5. 5.Artikel 18, tweede lid, noemt een gedraging die in ieder geval een schending van de medewerkingsplicht inhoudt: ‘het zich jegens het college zeer ernstig misdragen’.

 

De Wet SUWI legt ook verplichtingen op aan uitkeringsgerechtigden. Het betreft de verplichting om alle gevraagde gegevens en bewijsstukken aan de Centrale organisatie werk en inkomen te verstrekken die nodig zijn voor de beslissing door het college (artikel 28, tweede lid Wet SUWI) en de verplichting om op verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mee te delen aan de Centrale organisatie werk en inkomen, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand, het geldend maken van het recht bijstand of de hoogte of de duur van de bijstand.

 

Lid 2

In de maatregelverordening zijn voor allerlei gedragingen die een schending van een verplichting betekenen, standaardmaatregelen vastgesteld in de vorm van een vaste (percentuele) verlaging van de bijstandsnorm.  

In het tweede lid is de hoofdregel neergelegd: het college dient een op te leggen maatregel af te stemmen op de individuele omstandigheden van de belanghebbende en de mate van verwijtbaarheid. Deze bepaling brengt met zich mee dat het college bij elke op te leggen maatregel zal moeten nagaan of gelet op de individuele omstandigheden van de betrokken uitkeringsgerechtigde afwijking van de hoogte en de duur van de voorgeschreven standaardmaatregel geboden is. Afwijking van de standaardmaatregel kan zowel een verzwaring als een matiging betekenen.

 

Dit betekent dat het college bij het beoordelen of een maatregel moet worden opgelegd, en zo ja welke, telkens de volgende drie stappen moet doorlopen:

  1. 1.Stap 1: vaststellen van de ernst van de gedraging.

  2. 2.Stap 2: vaststellen van de verwijtbaarheid.

  3. 3.Stap 3: vaststellen van de omstandigheden van de uitkeringsgerechtigde.

 

De ernst van de gedraging komt tot uitdrukking in het standaardpercentage waarmee de bijstand wordt verlaagd. Wat betreft de beoordeling van de mate van verwijtbaarheid wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 5.  

Matiging van de opgelegde maatregel wegens persoonlijke omstandigheden kan bijvoorbeeld in de volgende gevallen aan de orde zijn:

  1. 1.bijzondere financiële omstandigheden van de belanghebbende, zoals bijvoorbeeld hoge woonlasten of andere vaste lasten of uitgaven van bijzondere aard waarvoor geen financiële tegemoetkoming mogelijk is;

  2. 2.sociale omstandigheden, gezinnen met kinderen bijvoorbeeld;

bij een opeenstapeling van maatregelen: de zwaarte van het geheel van maatregelen is niet evenredig aan de ernst van de gedraging en de mate van verwijtbaarheid.

Artikel 4 De berekeningsgrondslag

Lid 1

In dit lid is het uitgangspunt vastgelegd dat een maatregel wordt opgelegd over de bijstandsnorm. Onder de bijstandsnorm wordt verstaan de wettelijke norm, inclusief gemeentelijke toeslag of verlaging en inclusief vakantietoeslag.

 

Lid 2

Onderdeel a: de 18 tot 21-jarigen ontvangen een lage jongerennorm, die indien noodzakelijk wordt aangevuld door middel van aanvullende bijzondere bijstand in de kosten van levensonderhoud. Indien de maatregel alleen op de lage jongerennorm wordt opgelegd, zou dit leiden tot rechtsongelijkheid ten opzichte van de 21-jarigen.

 

Onderdeel b: deze bepaling maakt het mogelijk dat het college in incidentele gevallen een maatregel oplegt over de bijzondere bijstand of de langdurigheidstoeslag. Er moet dan wel een verband bestaan tussen de gedraging van een belanghebbende en zijn recht op bijzondere bijstand of de langdurigheidstoeslag. Voor de hoogte van een dergelijke maatregel worden in deze verordening geen percentages vastgelegd. Het gaat hier immers om incidentele situaties. (Zie ook de algemene toelichting.)

Artikel 5 Afzien van het opleggen van een maatregel

Lid 1

Het afzien van het opleggen van een maatregel ‘indien elke vorm van verwijtbaarheid’ ontbreekt, is geregeld in artikel 18, tweede lid, WWB.

 

Het is mogelijk om in beleidsregels neer te leggen hoe het college van plan is om te gaan met de beoordeling van de verwijtbaarheid, door bijvoorbeeld aan te geven welke gedragingen in principe altijd verwijtbaar worden geacht en welke gedragingen in beginsel nooit. Ook kan in beleidsregels worden vastgelegd in welke gevallen sprake is of kan zijn van verzachtende omstandigheden.  

 

Een andere reden om af te zien van het opleggen van een maatregel is dat de gedraging te lang geleden heeft plaatsgevonden (verjaring). Omwille van de effectiviteit (‘lik op stuk’) is het nodig dat een maatregel spoedig nadat de gedraging heeft plaatsgehad, wordt opgelegd. Om deze reden wordt onder b. geregeld dat het college geen maatregelen op legt voor gedragingen die langer dan één jaar geleden hebben plaatsgevonden.

 

Voor gedragingen die een schending van de informatieplicht inhouden en als gevolg waarvan ten onrechte bijstand is verleend of een te hoog bedrag aan bijstand is verleend, geldt in de verordening een verjaringstermijn van vijf jaar. Met deze termijn wordt aangesloten bij de termijn die stond in artikel 14e van de Algemene bijstandswet in verband met het opleggen van een boete wegens niet-nakoming van de informatieplicht. Een termijn van vijf jaar ligt voor de hand gelet op de ernst van de gedraging (fraude) en gelet op het feit dat de gemeente vaak tijd nodig zal hebben om de omvang van de fraude (het benadelingsbedrag) vast te stellen.

 

Lid 2

Hierin wordt geregeld dat het college kan afzien van het opleggen van een maatregel indien het daarvoor dringende redenen aanwezig acht. Wat dringende redenen zijn, is afhankelijk van de concrete situatie en kan dus niet op voorhand worden vastgelegd.

Artikel 6 Ingangsdatum en tijdvak

Lid 1

Het opleggen van een maatregel vindt plaats door het verlagen van de uitkering. Verlaging van de uitkering kan in beginsel op twee manieren:

met terugwerkende kracht, door middel van een herziening van de uitkering; of

door middel van verlaging van het uitkeringsbedrag in de eerstvolgende maand(en).

Het verlagen van de uitkering die in de nabij toekomst wordt verstrekt, is de gemakkelijkste methode. Gemeenten hoeven in dat geval niet over te gaan tot herziening van de bijstand en het te veel betaalde bedrag aan bijstand terug te vorderen. Om die reden is in dit lid vastgelegd dat een maatregel wordt opgelegd met ingang van de eerstvolgende kalendermaand, waarbij wordt uitgegaan van de voor die maand geldende bijstandsnorm.

 

Lid 2

Wanneer een uitkeringsbedrag nog niet (volledig) aan de bijstandsgerechtigde is uitbetaald, kan het praktisch zijn om de verlaging van de uitkering te verrekenen met het bedrag dat nog moet worden uitbetaald. In dat geval moet de bijstand wel worden herzien en teruggevorderd.

 

Lid 3

De hoofdregel is dat een maatregel wordt uitgevoerd naar de toekomst (lid 1). In afwijking hiervan wordt in deze verordening geregeld dat in bepaalde situaties een maatregel wél met terugwerkende kracht opgelegd kan worden. Het opleggen van een maatregel met terugwerkende kracht ligt voor de hand als er sprake is van het niet nakomen van de inlichtingenplicht en het te veel betaalde bedrag aan bijstand van de uitkeringsgerechtigde moet worden teruggevorderd. In dat geval wordt al een uitkeringsbedrag teruggevorderd en niet alleen vanwege het feit dat met terugwerkende kracht een maatregel wordt opgelegd.

 

Lid 4

Indien de uitkering is beëindigd en al volledig is uitbetaald, is het opleggen van een maatregel alleen nog mogelijk door de uitkering alsnog met terugwerkende kracht te herzien en de door die herziening teveel verstrekte uitkering terug te vorderen. Hierdoor zal een vordering ontstaan van (doorgaans) geringe hoogte, waarbij de kans bestaat dat deze tevens gebruteerd dient te worden indien de vordering niet voor het sluiten van het boekjaar wordt terugbetaald. Dit alles gebeurd, terwijl de belanghebbende er wel voor heeft gezorgd dat aan hem of haar geen bijstand meer wordt verstrekt.

In dit lid wordt gekozen voor het geven van een soort incentive. Zorgt de belanghebbende ervoor dat hij of zij niet binnen een jaar na beëindiging van de uitkering weer bijstandsafhankelijk wordt, dan wordt de maatregel niet opgelegd. Wordt de belanghebbende wel binnen een jaar na de einddatum van de uitkering weer bijstandsafhankelijk, dan wordt de maatregel opgelegd bij de toekenning van de nieuwe uitkering.

 

Lid 5

Dit lid regelt dat een maatregel voor bepaalde tijd wordt opgelegd. Door een maatregel voor een bepaalde periode op te leggen, weet de uitkeringsgerechtigde die met een maatregel wordt geconfronteerd waar hij aan toe is. Het college kan na afloop van de periode waarvoor de maatregel is getroffen opnieuw een maatregel opleggen. Hiervoor is dan wel weer een apart besluit nodig.

Wordt een maatregel voor een langere duur dan drie maanden opgelegd, dan zal het college de maatregel aan een herbeoordeling moeten onderwerpen. Dit is geregeld in artikel 18, derde lid WWB.

Gemeenten mogen zelf bepalen wanneer die herbeoordeling plaatsvindt, als dat maar gebeurt binnen drie maanden nadat het besluit is genomen. Bij een dergelijke herbeoordeling hoeft niet opnieuw een besluit te worden genomen, waarbij alle relevante feiten en omstandigheden opnieuw tegen het licht worden gehouden. Een marginale beoordeling volstaat: het college moet beoordelen of het redelijk is dat de opgelegde maatregel wordt gecontinueerd. Daarbij kan worden gekeken naar de omstandigheden waarin betrokkene verkeert, maar bijvoorbeeld ook of de betreffende persoon nu wel aan zijn verplichtingen voldoet.

Artikel 7 Samenloop van gedragingen

De regeling voor de samenloop van gedragingen heeft betrekking op verschillende gedragingen van een bijstandsgerechtigde die (min of meer) gelijktijdig plaatsvinden. De regeling geldt dus niet voor een bepaalde gedraging die verschillende schendingen van verplichtingen met zich meebrengt.

 

Indien sprake is van schending van meerdere verplichtingen door één gedraging, dan dient voor het toepassen van de maatregel te worden uitgegaan van de gedraging waarop de zwaarste maatregel van toepassing is.  

Hoofdstuk 3 Geen of onvoldoende medewerking verlenen aan het verkrijgen of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid

Artikel 8 Indeling in categorieën

De gedragingen die verband houden met het geen of onvoldoende medewerking verlenen aan het verkrijgen of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid, worden in vier categorieën onderscheiden. Hierbij is de ernst van de gedraging het onderscheidend criterium. Een gedraging wordt ernstiger geacht naarmate de gedraging concretere gevolgen heeft voor het niet verkrijgen of behouden van betaalde arbeid.

 

De gedragingen die in dit artikel worden genoemd, zijn aangevuld ten opzichte van de Maatregelverordening 2005. Verplichtingen in het kader van reïntegratie(trajecten) krijgen een prominentere plaats in de verordening, om het belang van ‘Werk boven uitkering’ te benadrukken.

 

De eerste categorie, onderdeel a betreft de verplichting om het individuele activeringsplan, het trajectplan, te ondertekenen. Het trajectplan wordt als bijlage bij het besluit tot toekenning of voortzetting van de bijstand meegestuurd.

 

De tweede categorie, onderdeel a, betreft de formele verplichting om zich als werkzoekende in te schrijven bij het CWI en ingeschreven te doen blijven. Deze verplichting was in de Maatregelverordening 2005 opgenomen in de eerste categorie. Gezien het belang van de inschrijving bij het CWI, zoals bijvoorbeeld het verkrijgen van ondersteuning bij het vinden van werk door het CWI, is ervoor gekozen het niet tijdig verlengen van de inschrijving bij het CWI op te nemen in de tweede categorie.

Onderdeel b betreft de verplichting tot een actieve opstelling op de arbeidsmarkt, de eigen verantwoordelijkheid van de belanghebbende om bijvoorbeeld voldoende te solliciteren en te voldoen aan een oproep.

Onderdeel c betreft de verplichting voor belanghebbenden om medewerking te verlenen aan onderzoeken in het kader van de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling. Zonder deze medewerking is het immers niet mogelijk om een goed beeld te krijgen van welke middelen het college dient in te zetten om het voor de desbetreffende belanghebbende mogelijk te maken om arbeid te aanvaarden.

Onderdeel d betreft de situatie waarin een belanghebbende, door langer dan de gebruikelijke vakantieduur in het buitenland te verblijven, arbeidskansen heeft gemist. Het enkele langere verblijf is dus niet maatregelwaardig. Een maatregel wordt alleen opgelegd als door het langere verblijf arbeidskansen zijn gemist, dan wel onvoldoende getracht is arbeid te verkrijgen.

 

De derde categorie, onderdeel a, betreft gedragingen die direct een aanleiding vormen tot een beroep op bijstand of het zonder noodzaak langer voortduren daarvan. Het gaat hier om het stellen van niet verantwoorde beperkingen ten aanzien van de aanvaardbare arbeid en om gedragingen die de kansen op arbeidsinschakeling verminderen. Voorbeelden van deze categorie zijn negatieve gedragingen bij sollicitaties en onvoldoende meewerken aan het opgesteld trajectplan waaronder ook sociale activering verplicht kan worden gesteld.

Onderdeel b betreft de situatie waarin aan belanghebbende een voorziening, gericht op arbeidsinschakeling, is aangeboden en de belanghebbende hiervan geen, dan wel onvoldoende gebruik maakt. Hierbij kan men denken aan situaties waarin de belanghebbende niet op komt dagen voor een afspraak, cursus etc. of hieraan onvoldoende meewerkt. Onderdeel b is alleen van toepassing indien het gedrag van de belanghebbende niet heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van het reïntegratietraject (zie ook voor de vierde categorie, onderdeel c).

Onderdeel c betreft het niet of in onvoldoende mate nakomen van verplichtingen, die op grond van artikel 55 WWB zijn opgelegd.

 

De vierde categorie, onderdelen a en b, betreft het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid alsmede door eigen toedoen voorafgaand aan de aanvraag algemeen geaccepteerde arbeid niet behouden dan wel tijdens de bijstand deeltijdarbeid niet behouden. Onder deze categorie valt tevens het niet aanvaarden, dan wel niet behouden van een detacheringsbaan als bedoeld in de reïntegratieverordening.

Onderdeel c betreft de situatie waarin aan belanghebbende een voorziening, gericht op arbeidsinschakeling, is aangeboden en de belanghebbende hiervan geen, dan wel onvoldoende gebruik maakt én dit heeft geleid tot het beëindiging, dan wel geen doorgang vinden van het reïntegratietraject (zie ook voor de derde categorie, onderdeel b).

Artikel 9 De hoogte en duur van de maatregel

Lid 1

Deze bepaling bevat de standaardmaatregelen voor de vier categorieën van gedragingen die verband houden met het geen of onvoldoende medewerking verlenen aan het verkrijgen of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid. De percentages waarmee de bijstand wordt verlaagd, zijn verhoogd ten opzichte van de Maatregelverordening 2005. De percentages bedragen nu 10, 20, 50 en 100 procent (was 5, 10, 20 en 100). De verhoging van de percentages heeft plaatsgevonden om een grotere nadruk te leggen op de eigen verantwoordelijkheid van belanghebbenden op het gebied van de arbeidsinschakeling.

 

Lid 2

Indien binnen één jaar na een eerste verwijtbare gedraging sprake is van een herhaling van de verwijtbare gedraging, wordt de grotere mate van verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht in een verdubbeling van de duur van de maatregel. Met eerste verwijtbare gedraging wordt de eerste gedraging verstaan die aanleiding is geweest tot een maatregel, ook indien de maatregel wegens dringende redenen niet is geëffectueerd. Voor het bepalen van de aanvang van de termijn van 12 maanden, geldt het tijdstip waarop het besluit waarmee de maatregel is opgelegd, bekend is gemaakt.

 

Op basis van deze bepaling kan een recidivemaatregel slechts één keer worden toegepast. Indien belanghebbende na een tweede verwijtbare gedraging wederom hetzelfde verwijtbaar gedrag vertoont, zal de hoogte en de duur van de maatregel individueel moeten worden vastgesteld, waarbij gekeken zal moeten worden naar de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de individuele omstandigheden van de betrokkene.

Hoofdstuk 4 Niet nakomen van de inlichtingenplicht

In dit hoofdstuk worden twee vormen van het niet nakomen van de informatieplicht onderscheiden:

  1. 1.Artikel 9: het niet tijdig verstrekken van inlichtingen aan de gemeente. In deze situatie is artikel 54 WWB van toepassing. Het college kan in dat geval het recht op bijstand opschorten en belanghebbende in de gelegenheid stellen binnen een door hem te stellen termijn het verzuim te herstellen.

  2. 2.Artikel 10 en 11: het verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen aan de gemeente, waardoor er ten onrechte een uitkering is verstrekt of een te hoog bedrag aan bijstand is verstrekt. In deze situatie heeft de uitkeringsgerechtigde niet voldaan aan de inlichtingenplicht van artikel 17 WWB. Het opzettelijk verzwijgen van relevante informatie tegenover de gemeente, met het oogmerk een (hogere) uitkering te krijgen (fraude) vormt een schending van de informatieplicht van artikel 17.

 

Het kan ook voorkomen dat bepaalde gevraagde gegevens niet aan de gemeente worden verstrekt. In dat geval kan het college de rechtmatigheid van de uitkering niet vaststellen. De bijstand moet dan worden geweigerd (in de situatie dat een uitkering wordt aangevraagd) of het besluit tot toekenning van de bijstand moet worden ingetrokken (bij een lopende uitkering). Het opleggen van een maatregel is dus bij het niet-verstrekken van gegevens die noodzakelijk zijn voor het vaststellen van de rechtmatigheid van de uitkering niet aan de orde.

Artikel 10 Te laat verstrekken van gegevens

Lid 1

Indien een belanghebbende niet voldoet aan een door het college gestelde termijn om inlichtingen te verstrekken, wordt de uitkering op grond van artikel 54, eerste lid WWB opgeschort en wordt aan de belanghebbende een hersteltermijn geboden. Voldoet de belanghebbende niet binnen de hersteltermijn aan de opgelegde verplichting, dan wordt de uitkering ingetrokken (artikel 54, vierde lid WWB).

Voldoet de belanghebbende wel binnen de hersteltermijn aan het verzoek van het college, dan dient het opleggen van een maatregel overwogen te worden. Als uitgangpunt in artikel 10 wordt genomen dat in dergelijke gevallen volstaan wordt met het geven van een waarschuwing. Indien er echter ten aanzien van de belanghebbende in de daaraan voorafgaande twee jaar al een waarschuwing is gegeven, dan wordt op grond van het tweede lid wel een maatregel opgelegd.

 

Lid 2

Dit lid regelt de situatie waarin op grond van het eerste lid geen waarschuwing meer kan worden gegeven. De hoogte van de op te leggen maatregel bedraagt 10%.

Artikel 11 Verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen met gevolgen voor de bijstand of reïntegratiemiddelen

Lid 1

In artikel 17, eerste lid, WWB is bepaald dat belanghebbende op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. Het college zal moeten vaststellen wat het onder ‘onverwijld’ verstaat.

De ernst van de gedraging komt tot uitdrukking in de hoogte van het benadelingsbedrag. Dat is het door de gemeente te veel betaalde bedrag aan bijstand, dan wel het door de gemeente ten onrechte betaalde bedrag aan reïntegratiemiddelen.

 

Lid 2

De maatregel wegens het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht bedoeld in artikel 17 van de WWB wordt afhankelijk gesteld van de hoogte van het bedrag aan bijstand of inzet van reïntegratiemiddelen dat als gevolg van de schending van die verplichting ten onrechte of te veel aan de belanghebbende is betaald.

 

De maatregel wordt in principe toegepast op de toekomstige bijstandsuitkering van de belanghebbende, tenzij er redenen zijn om het anders te doen. Zie ook artikel 7 en toelichting.  

 

De relatie met de strafrechtelijke sanctie

Onder het huidige boeteregime bestaat de verplichting voor gemeenten om proces-verbaal op te maken en aangifte te doen bij het Openbaar Ministerie indien er sprake is van fraude en het benadelingsbedrag hoger is dan € 6.000,- (de aangifterichtlijn sociale zekerheid). Het is de bedoeling dat deze taakverdeling tussen gemeenten en het OM blijft bestaan, ook al kent de WWB de bestuurlijke boete niet en zullen gemeenten bij fraude (in casu het niet nakomen van de inlichtingenplicht) een maatregel moeten opleggen. In de handhavingsverordening wordt geregeld de aangifte bij het OM geregeld.

 

Het doen van aangifte wegens fraude sluit overigens het opleggen van een maatregel niet uit. Beide sancties kunnen samen gaan. Uitgangspunt is dat het OM bij de straftoemeting rekening houdt met de maatregel die is opgelegd door het bestuursorgaan. Dit is het principe van ‘Anrechnung’. Anderzijds ligt het niet voor de hand om over te gaan tot het opleggen van een maatregel, als het OM inmiddels een sanctie heeft opgelegd. Het ‘una via’ beginsel (geen samenloop van sancties op dezelfde onrechtmatige gedraging dan bij beslissing van één enkele overheidsorgaan) kan zich daar tegen verzetten. De centrale raad voor beroep heeft zich in het (recente) verleden geregeld uitgesproken tegen ‘dubbele bestraffing’.

Artikel 12 Verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen zonder gevolgen voor de bijstand of reïntegratiemiddelen

Lid 1

In dit artikel wordt de zogeheten ‘nulfraude’ geregeld: het verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen, zonder dat deze gedraging gevolgen heeft voor de hoogte van de bijstand of de inzet van reïntegratiemiddelen. Voorbeelden van nulfraude zijn het niet opgeven van een vermogensbestanddeel onder de vermogensgrens of het niet melden van vrijwilligerswerk.

 

Lid 2

De bevoegdheid tot het geven van een waarschuwing bij het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht is gelijk aan de bevoegdheid tot het geven van een waarschuwing bij het te laat verstrekken van informatie.

Artikel 13 Verdubbeling maatregel

Dit is een recidivebepaling, die betrekking heeft op de artikelen 9, 10 en 11.

Hoofdstuk 5 Overige gedragingen die leiden tot een maatregel

Artikel 14 Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid

De verplichting om voldoende besef van verantwoordelijkheid te tonen voor de voorziening in het bestaan, geldt reeds voordat een bijstandsuitkering wordt aangevraagd. Dit betekent dat wanneer iemand in de periode voorafgaand aan de bijstandaanvraag een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid heeft getoond, waardoor hij niet langer beschikt over de middelen om in de kosten van het bestaan te voorzien en als gevolg daarvan een bijstandsuitkering aanvraagt, de gemeente bij de toekenning van de bijstand hiermee rekening kan houden door het opleggen van een maatregel.

 

Een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid kan uit allerlei gedragingen blijken, zoals:  

  1. a.een onverantwoorde besteding van vermogen;

  2. b.geen of te late aanvraag doen voor een voorliggende voorziening;

 

In het derde en vierde lid wordt een relatie gelegd tussen de hoogte van de maatregel en de periode die belanghebbende door zijn gedraging langer een beroep op bijstand moet doen. In het derde lid wordt de maatregel bepaald op 100 % van de bijstand. Met nadruk wordt hier niet gesproken over bijstandsnorm, maar over bijstand. Immers een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid is een thema dat ook bij de verlening van bijzondere bijstand nog wel eens wil voorkomen.

Artikel 15 Zeer ernstige misdragingen

Onder de term ‘zeer ernstige misdragingen’ kunnen diverse vormen van agressie worden verstaan, zij het dat er sprake moet zijn van verwijtbaarheid en van gedrag dat in het normale menselijke verkeer in alle gevallen als onacceptabel kan worden beschouwd.

 

Gemeenten kunnen alleen een maatregel opleggen indien er een verband bestaat tussen de ernstige misdraging en (mogelijke) belemmeringen voor de gemeente bij het vaststellen van het recht op een uitkering. Vandaar dat in dit artikel wordt bepaald dat de zeer ernstige misdragingen moeten hebben plaatsgevonden onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van WWB.

 

In artikel 18, tweede lid, wordt gesproken over ‘het zich jegens het college zeer ernstig misdragen’. Dit betekent dat alleen (zeer) agressief gedrag tegenover leden van het college en hun ambtenaren aanleiding zijn voor het opleggen van een maatregel. Er kan dus geen maatregel worden opgelegd als een klant zich agressief heeft gedragen tegenover een medewerker van een andere organisatie die belast is met de uitvoering van de WWB (bijvoorbeeld een reïntegratiebedrijf). Het is in dat geval wellicht wel mogelijk om een maatregel op te leggen wegens het niet of onvoldoende gebruikmaken van een voorziening gericht op arbeidsinschakeling (artikel 9, derde lid, van deze verordening).

 

Bij het vaststellen van de maatregel in de situatie dat een uitkeringsgerechtigde zich ernstig heeft misdragen, zal gekeken moeten worden naar de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de persoonlijke omstandigheden van de betrokkene.

Wat betreft het vaststellen van de ernst van de gedraging, kunnen de volgende vormen van agressief gedrag in een oplopende reeks (steeds ernstiger) worden onderscheiden:

  1. a.verbaal geweld (schelden);

  2. b.discriminatie;

  3. c.intimidatie (uitoefenen van psychische druk);

  4. d.zaakgericht fysiek geweld (vernielingen);

  5. e.mensgericht fysiek geweld;

  6. f.combinatie van agressievormen.

 

Voor het bepalen van verwijtbaarheid van de misdraging zal gekeken moeten worden naar de omstandigheden waaronder de misdraging heeft plaatsgehad.

In dit verband is het relevant een onderscheid te maken tussen instrumenteel geweld en frustratiegeweld. Van instrumenteel geweld is sprake als iemand het toepassen van geweld bewust gebruikt om een bepaald doel te bereiken (bijvoorbeeld het verkrijgen van een uitkering). Agressie die ontstaat door onmacht, ontevredenheid, onduidelijkheid en dergelijke kan worden aangeduid met frustratieagressie. Het zal duidelijk zijn dat de mate van verwijtbaarheid bij instrumenteel geweld in beginsel groter is dan bij frustratiegeweld.

 

Het opleggen van een maatregel staat geheel los van het doen van aangifte bij de politie. Het college legt een maatregel op, terwijl de functionaris tegen wie de agressie zich richtte aangifte kan doen bij de politie.

 

Wij kennen een veiligheidsprotocol, waar in geregeld wordt hoe te handelen bij dergelijke calamiteiten.

Hoofdstuk 6 Slotbepalingen

Dit hoofdstuk bevat de slot- en overgangsbepalingen.