Disclaimer

In het onderdeel Regelgeving vindt u geldende algemeen verbindende voorschriften (verordeningen) en beleidsregels van de gemeente Overbetuwe. De complete tekst, waarin alle wijzigingen zijn verwerkt, is gepubliceerd. De informatie in dit onderdeel vormt geen bekendmaking in de zin van de Gemeentewet of de Algemene wet bestuursrecht. Alleen publicatie in het binnen de gemeente te verspreiden huis-aan-huisblad heeft een officieel karakter.

Zoeken in regelgeving

            

Erfgoedverordening gemeente Overbetuwe

Voor deze verordening versie is geen samenvatting ingevoerd.

Gegevens van de regeling

Overheidsorganisatie Gemeente Overbetuwe
Officiële naam regeling Erfgoedverordening gemeente Overbetuwe 2016
Citeertitel Erfgoedverordening gemeente Overbetuwe 2016
Vastgesteld door gemeenteraad
Deze versie is geldig tot (als de vervaldatum is vastgesteld) 15-04-2017
Onderwerp volkshuisvesting en woningbouw
Opmerkingen m.b.t. de regeling Geen.
Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving) Geen.
Betreft (aard van de wijziging) nieuwe regeling
Datum van inwerkingtreding van (een versie van) de regeling 20-02-2016
Datum terugwerkende kracht (t/m) van (een versie van) de regeling
Datum ondertekening van (een wijziging van) de regeling 16-02-2016
Bron bekendmaking van (een wijziging van) de regeling officielebekendmakingen, gemeenteblad 20012, 19 februari 2016
Kenmerk voorstel 15rb000150

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

  1. Gemeentewet, art. 149
  2. Monumentenwet 1988, art. 12, art. 15, art. 38
  3. Wet bepalingen omgevingsrecht artikel 2.1 en 2.2

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding Terugwerkende kracht t/m Datum uitwerkingtreding Betreft Datum ondertekening
Bron bekendmaking
Kenmerk
voorstel
20-02-2016 15-04-2017 nieuwe regeling 16-02-2016
officielebekendmakingen, gemeenteblad 20012, 19 februari 2016
15rb000150
01-05-2011 20-02-2016 nieuwe regeling 19-04-2011
Hét Gemeente Nieuws; 20-04-2011
11rb000018
31-12-2009 01-05-2011 nieuwe regeling 15-12-2009
Hét Gemeente Nieuws; 30-12-2009
09rb000256

Onderwerp: Erfgoedverordening gemeente Overbetuwe 2016

 

Ons kenmerk: 15RB000150

 

Nr. 8

 

De raad van de gemeente Overbetuwe;

 

gelezen het raadsvoorstel van burgemeester en wethouders van 8 december 2015;

 

gelet op artikel 149 van de Gemeentewet, de artikelen 12, 15 en 38 van de Monumentenwet 1988 en de artikelen 2.1 en 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;

 

b e s l u i t :

 

vast te stellen de

 

Erfgoedverordening

gemeente Overbetuwe 2016

Hoofdstuk 1 Algemeen

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

Deze verordening verstaat onder:

  1. a.archeologische beleidsadvieskaart: topografische kaart van het gemeentelijke grondgebied, waarop de archeologische monumenten en archeologische verwachtingsgebieden zijn aangegeven met uitvoeringsgerichte beleidsadviezen ten behoeve van een bestemmingsplan;

  2. b.archeologisch monument: een terrein van (zeer) (hoge) archeologische waarde, waar archeologische resten zijn aangetoond en voorkomend op de provinciale Archeologische Monumentenkaart en/of de gemeentelijke archeologische beleidsadvieskaart;

  3. c.archeologisch verwachtingsgebied: gebied, aangegeven op de archeologische waarden- en verwachtingenkaart, waarvan is aangegeven in welke mate archeologische resten te verwachten zijn;

  4. d.beschermd rijksmonument: onroerend monument dat is ingeschreven in de ingevolge de Monumentenwet 1988 vastgestelde registers;

  5. e.bevoegd gezag: bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;

  6. f.college: college van burgemeester en wethouders;

  7. g.commissie: de (mede) op basis van artikel 15, eerste lid Monumentenwet 1988 ingestelde Commissie Ruimtelijke Kwaliteit met als taak het college op verzoek of uit eigen beweging te adviseren over de toepassing van de Monumentenwet 1988, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, deze verordening, het cultuurhistorisch beleid en het archeologiebeleid;

  8. h.gemeentelijke archeologische waardenkaart: topografische kaart van het gemeentelijke grondgebied, waarop archeologische monumenten en archeologische verwachtingsgebieden zijn aangegeven;

  9. i.gemeentelijk monument: een in overeenstemming met de bepalingen van deze verordening als beschermd gemeentelijk monument aangewezen:

    1. 1.zaak, die van algemeen belang is wegens zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde;

    2. 2.terrein, dat van algemeen belang is wegens een daar aanwezige zaak als bedoeld onder 1;

  10. j.gemeentelijke monumentenlijst: de lijst waarop zijn geregistreerd de in overeenstemming met deze verordening als gemeentelijk monument aangewezen zaken of terreinen bedoeld in onderdeel i;

  11. k.gemeentelijk stads- of dorpsgezicht: een in overeenstemming met de bepalingen van deze verordening als beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht aangewezen groep van zaken of terreinen die van algemeen belang is wegens zijn schoonheid, zijn onderlinge ruimtelijke of structurele samenhang dan wel zijn wetenschappelijke of cultuurhistorische waarde en in welke groep zich één of meer monumenten bevinden;

  12. l.hoge archeologische verwachtingswaarde: grote kans op het aantreffen van archeologische resten en/of sporen;

  13. m.kerkelijke monumenten: onroerende monumenten die eigendom zijn van een kerkgenootschap, kerkelijke gemeente of parochie of van een kerkelijke instelling die uitsluitend of voor een overwegend deel gebruikt worden voor de uitoefening van de eredienst;

  14. n.lage archeologische verwachtingswaarde: geringe of nog onbekende kans op het aantreffen van archeologische resten en/of sporen;

  15. o.middelmatige archeologische verwachtingswaarde: gemiddelde kans op het aantreffen van archeologische resten en/of sporen

  16. p.plan van aanpak: plan dat weergeeft hoe een archeologische uitvoerder de vragen zoals omschreven in het programma van eisen denkt te gaan beantwoorden;

  17. q.programma van eisen: programma dat het college vaststelt en waarmee kaders worden gesteld voor het ontwerp en de uitvoering van archeologisch onderzoek;

  18. r.provinciale Archeologische Monumentenkaart: topografische kaart van (delen van) het provinciale grondgebied, waarop archeologische monumenten, archeologische vindplaatsen en archeologische verwachtingsgebieden zijn aangegeven;

  19. s.selectiebesluit: een gemotiveerd besluit van het college tot het al dan niet behouden van eventueel aanwezige archeologische waarden;

  20. t.vergunning: een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, of artikel 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

Hoofdstuk 2 Aanwijzing gemeentelijke monumenten

Artikel 2 Het gebruik van het monument

  1. 1.Bij de toepassing van deze verordening wordt rekening gehouden met het gebruik van het monument.

Artikel 3 De aanwijzing tot gemeentelijk monument

  1. 1.Het college kan met inachtneming van de door het college vastgestelde selectiecriteria, al dan niet op aanvraag van een belanghebbende, besluiten onroerende objecten als gemeentelijk monument aan te wijzen.

  2. 2.Voordat het college over de aanwijzing een besluit neemt, vraagt het advies aan de commissie. In spoedeisende gevallen kan het vragen van dit advies achterwege blijven.

  3. 3.Voordat het college besluit over aanwijzing van een kerkelijk monument voert het college overleg met de eigenaar.

  4. 4.De aanwijzing kan geen monument betreffen dat is aangewezen op grond van artikel 3 van de Monumentenwet 1988 of dat is aangewezen op grond van de monumentenverordening van de provincie Gelderland.

Artikel 4 Voorbescherming

Met ingang van de datum waarop de eigenaar van een monument de kennisgeving van het voornemen tot aanwijzing als beschermd gemeentelijk monument ontvangt tot het moment dat de aanwijzing en registratie als bedoeld in artikel 7 plaatsvindt, dan wel vaststaat dat het monument niet wordt geregistreerd, zijn de artikelen 10 tot en met 13 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 5 Termijnen advies en aanwijzingsbesluit

  1. 1.De commissie adviseert schriftelijk binnen acht weken na ontvangst van het verzoek van het college.

  2. 2.Het college beslist binnen vier weken na ontvangst van het advies van de commissie, maar in ieder geval binnen twaalf weken na het verzoek om advies.

Artikel 6 Mededeling aanwijzingsbesluit

  1. 1.De aanwijzing als bedoeld in artikel 3, eerste lid, wordt meegedeeld aan degenen die als zakelijk gerechtigden in de kadastrale legger bekend staan.

  2. 2.Het college stelt de commissie in kennis van het met redenen omklede besluit.

Artikel 7 Registratie op de gemeentelijke monumentenlijst

  1. 1.Het college registreert het gemeentelijke monument op de gemeentelijke monumentenlijst.

  2. 2.De gemeentelijke monumentenlijst bevat de plaatselijke aanduiding, de datum van de aanwijzing, de kadastrale aanduiding en een beschrijving van het gemeentelijke monument.

Artikel 8 Wijzigen van de aanwijzing

  1. 1.Het college kan al dan niet op verzoek van een belanghebbende de aanwijzing wijzigen.

  2. 2.Artikel 3, tweede en derde lid, evenals de artikelen 4, 5 en 6 zijn van overeenkomstige toepassing op het wijzigingsbesluit.

  3. 3.Als de wijziging naar het oordeel van het college van ondergeschikte betekenis is, blijft overeenkomstige toepassing, als bedoeld in het tweede lid, achterwege.

  4. 4.De inhoud en de datum van de wijziging worden op de gemeentelijke monumentenlijst aangetekend.

Artikel 9 Intrekken van de aanwijzing

  1. 1.Als het college de aanwijzing intrekt, zijn de artikelen 3, tweede lid, 5 en 6 van overeenkomstige toepassing.

  2. 2.De aanwijzing wordt geacht ingetrokken te zijn, als toepassing wordt gegeven aan artikel 3 van de Monumentenwet 1988.

  3. 3.De intrekking wordt op de gemeentelijke monumentenlijst geregistreerd.

Hoofdstuk 3 Instandhouding van gemeentelijke monumentale zaken

Artikel 10 Instandhoudingbepaling

  1. 1.Het is verboden een gemeentelijk monument, als bedoeld in artikel 1, onder i., sub 1., te beschadigen of te vernielen.

  2. 2.Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag of in strijd met de bij zodanige vergunning gestelde voorschriften:

    1. a.een gemeentelijk monument, als bedoeld in artikel 1, onder i., sub 1., af te breken, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen;

    2. b.een gemeentelijk monument, als bedoeld in artikel 1, onder i., sub 1., te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een dusdanige wijze, dat het wordt ontsierd of in gevaar gebracht.

  3. 3.Het verbod en de vergunningplicht, als bedoeld in het tweede lid, gelden niet als het college nadere regels stelt over de wijze waarop werkzaamheden moeten worden uitgevoerd.

  4. 4.Het bevoegd gezag verleent met betrekking tot een kerkelijk monument geen vergunning als bedoeld in het tweede lid, dan in overeenstemming met de eigenaar als en voor zover het een vergunning betreft, waarbij wezenlijke belangen van de godsdienstuitoefening in het monument in het geding zijn.

Artikel 11 Termijnen advies

  1. 1.Het bevoegd gezag stuurt onmiddellijk een afschrift van de ontvankelijke aanvraag om vergunning voor een gemeentelijk monument aan de commissie voor advies.

  2. 2.Binnen vier weken na de datum van het versturen van het afschrift brengt de commissie schriftelijk advies uit aan het college. De termijn wordt met vier weken verlengd bij verdaging van de beslistermijn op de vergunningaanvraag.

Artikel 12 Weigeringsgronden

De vergunning kan slechts worden verleend als het belang van de monumentenzorg zich daartegen niet verzet. Bij de beslissing houdt het bevoegd gezag rekening met het gebruik van het monument.

Artikel 13 Intrekken van de vergunning

Het bevoegd gezag kan de vergunning intrekken, als:

  1. a.blijkt dat de vergunning ten gevolge van een onjuiste of onvolledige opgave is verleend;

  2. b.de omstandigheden aan de kant van de vergunninghouder zich zodanig hebben gewijzigd, dat het belang van het monument zwaarder dient te wegen.

Hoofdstuk 4 Rijksmonumenten

Artikel 14 Vergunning voor beschermd rijksmonument

  1. 1.Het bevoegd gezag stuurt onmiddellijk een afschrift van de ontvankelijke aanvraag om vergunning voor een beschermd rijksmonument aan de commissie.

  2. 2.De commissie adviseert schriftelijk over de aanvraag binnen acht weken na de datum van het versturen van het afschrift.

  3. 3.Het college stuurt een afschrift van het genomen besluit aan de commissie.

Hoofdstuk 5 Gemeentelijke stads- en dorpsgezichten

Artikel 15 De aanwijzing tot gemeentelijk stads- of dorpsgezicht

  1. 1.Het college kan een stads- of dorpsgezicht aanwijzen als gemeentelijk stads- of dorpsgezicht; het college kan een zodanige aanwijzing wijzigen of intrekken.

  2. 2.Voordat het college over de aanwijzing, wijziging of intrekking een besluit neemt, vraagt het advies aan de commissie.

  3. 3.Op de voorbereiding van een besluit om aanwijzing als bedoeld in het eerste lid is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.

  4. 4.Het college stelt de gemeenteraad en de commissie in kennis van het besluit tot aanwijzing van, wijziging of intrekking van de aanwijzing van een gemeentelijk stads- of dorpsgezicht.

  5. 5.Een op grond van artikel 35 van de Monumentenwet 1988 aangewezen beschermd stads- of dorpsgezicht wordt niet aangewezen als gemeentelijk stads- of dorpsgezicht.

  6. 6.De aanwijzing als gemeentelijk stads- of dorpsgezicht wordt geacht te zijn ingetrokken als het gemeentelijk stads- of dorpsgezicht wordt aangewezen als beschermd stads- en dorpsgezicht op grond van artikel 35 van de Monumentenwet 1988.

Artikel 16 Registratie op de gemeentelijke monumentenlijst

  1. 1.Het college registreert het gemeentelijk stads- of dorpsgezicht op de gemeentelijke monumentenlijst.

  2. 2.De gemeentelijke monumentenlijst bevat de plaatselijke aanduiding, de datum van de aanwijzing, de kadastrale aanduiding en een redengevende beschrijving van het gemeentelijk stads- of dorpsgezicht.

Artikel 17 Bestemmingsplan

  1. 1.De gemeenteraad stelt ter bescherming van een gemeentelijk stads- of dorpsgezicht een bestemmingsplan vast als bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening.

  2. 2.Bij het besluit tot aanwijzing van een gemeentelijk stads- of dorpsgezicht bepaalt het college in hoeverre geldende bestemmingsplannen als beschermend plan in de zin van het vorige lid kunnen worden aangemerkt.

  3. 3.Voordat het college de gemeenteraad een voorstel doet voor vaststelling van een bestemmingsplan in de zin van het eerste lid vraagt het college advies aan de commissie.

Artikel 18 Verbodsbepaling

  1. 1.Het is verboden bouwwerken die gelegen zijn in een gemeentelijk stads- of dorpsgezicht te beschadigen of te vernielen.

  2. 2.Het is verboden in een gemeentelijk stads- of dorpsgezicht zonder vergunning van het college of in strijd met de bij zodanige vergunning gestelde voorschriften:

    1. a.bouwwerken te plaatsen, op te richten, geheel of gedeeltelijk af te breken of te verplaatsen dan wel in enig opzicht te wijzigen;

    2. b.bouwwerken te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze waardoor het gemeentelijk stads- of dorpsgezicht wordt ontsierd of in gevaar gebracht;

    3. c.onroerende zaken geen bouwwerk zijnde, hieronder begrepen straten, wegen, pleinen, wateren, bomen en erfafscheidingen te wijzigen.       

Hoofdstuk 6 Instandhouding van archeologische terreinen

Artikel 19 Gemeentelijke archeologische beleidsadvieskaart

  1. 1.De door de gemeenteraad vastgestelde archeologische beleidsadvieskaart dient mede als basis voor:

    1. a.deze verordening;

    2. b.vast te stellen bestemmingsplannen als bedoeld in artikel 38a van de Monumentenwet 1988;

    3. c.aanwijzing van gemeentelijke monumenten als bedoeld in artikel 1, onder i., sub 2.

  2. 2.De raad kan op verzoek van het college de gemeentelijke archeologische beleidsadvieskaart wijzigen als uit onderzoek is gebleken dat de archeologische verwachtingswaarde afwijkt van de gemeentelijke archeologische beleidsadvieskaart.

Artikel 20 Instandhoudingbepaling

1.

Het is verboden om de bodem van een archeologisch monument, bedoeld in artikel 1, onder i., sub 2, of bedoeld in artikel 1, onder b. of een archeologisch verwachtingsgebied, bedoeld in artikel 1, onder c., dieper dan 30 centimeter onder het maaiveld te verstoren.

2.

Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing, als:

 

a.

het een verstoring betreft in een archeologische verwachtingszone zoals aangegeven op de gemeentelijke archeologische beleidsadvieskaart en waarbij die verstoring plaatsvindt op het terrein/in een zone aangemerkt als:

 

 

i.

AWV categorie 3: gebieden met een zeer hoge archeologische verwachting (historische dorpskern/oude woongrond/pol), waarbij de bruto oppervlakte van de ingreep kleiner is dan 50m² én de diepte van de ingreep niet dieper reikt dan 30 centimeter onder het maaiveld;

 

 

ii.

AWV categorie 4: gebieden met een hoge archeologische verwachting, waarbij de bruto oppervlakte van de ingreep kleiner is dan 100 m² én de diepte van de ingreep niet dieper reikt dan 30 centimeter onder het maaiveld;

 

 

iii.

AWV categorie 5: gebieden met een middelmatige archeologische verwachting, waarbij de bruto oppervlakte van de ingreep kleiner is dan 500 m² én de diepte van de ingreep niet dieper reikt dan 30 centimeter onder het maaiveld;

 

 

iv.

AWV categorie 6: gebieden met een lage archeologische verwachting, waarbij de bruto oppervlakte van de ingreep kleiner is dan 2500 m² én de diepte van de ingreep niet dieper reikt dan 30 centimeter onder het maaiveld;

 

b.

in het geldende bestemmingsplan bepalingen zijn opgenomen over de archeologische monumentenzorg;

 

c.

sprake is van een activiteit als bedoeld in artikel 2.12, eerste en tweede lid van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en bij de vergunningaanvraag voorschriften zijn opgenomen omtrent archeologische monumentenzorg;

 

d.

het college nadere regels stelt voor de uitvoering van werkzaamheden die leiden tot een verstoring als bedoeld in het eerste lid en aangegeven op de gemeentelijke archeologische beleidsadvieskaart;

 

e.

een rapport is overlegd, waarin de archeologische waarde van het te verstoren terrein naar het oordeel van het college in voldoende mate is vastgesteld en waaruit blijkt dat:

 

 

i.

het behoud van de archeologische waarden in voldoende mate kan worden geborgd; of

 

 

ii.

de archeologische waarden door de verstoring niet onevenredig worden geschaad; of

 

 

iii.

in het geheel geen archeologische waarden aanwezig zijn; of

 

f.

het college een selectiebesluit heeft genomen ten aanzien van het opgraven van het te verstoren gebied/terrein.

Artikel 21 Opgravingen en begeleiding

  1. 1.Als binnen het grondgebied van de gemeente Overbetuwe onderzoek wordt uitgevoerd in het kader van het doen van opgravingen in de zin van artikel 1, onder h. Monumentenwet 1988, moet, onverminderd de overige bepalingen van deze wet:

    1. a.het college een programma van eisen vaststellen als bedoeld in artikel 1, onder q., waarbij nadere regels worden gesteld voor het onderzoek;

    2. b.de verstoorder, voorafgaand aan het onderzoek, een plan van aanpak als bedoeld in artikel 1, onder p. van deze verordening ter goedkeuring aan het college overleggen.

  2. 2.In nadere regels neemt het college bepalingen op over het toezicht op de feitelijke uitvoering van het plan van aanpak. Tijdens het onderzoek moeten aanwijzingen van of namens het college in acht worden genomen.

  3. 3.Om te kunnen beoordelen of het plan van aanpak aan het programma van eisen en eventuele nadere regels voldoet, vraagt het college advies aan een deskundige, zoals omschreven in de Monumentenwet 1988.

Hoofdstuk 7 Overige bepalingen

Artikel 22 Tegemoetkoming in schade

  1. 1.Indien en voor zover blijkt dat een belanghebbende schade lijdt of zal lijden, die redelijkerwijze niet of niet geheel tot zijn last behoort te blijven, kent het college hem op zijn aanvraag een naar billijkheid te bepalen tegemoetkoming in schade toe, als de schade in relatie staat tot:

    1. a.de weigering van het college een vergunning als bedoeld in artikel 10 te verlenen;

    2. b.de voorschriften door het college verbonden aan een vergunning als bedoeld in artikel 10;

    3. c.de door het college nader te stellen regels als bedoeld in artikel 10, derde lid;

    4. d.de door het college nader te stellen regels als bedoeld in artikel 20, tweede lid, onder d;

    5. e.een aanwijzing als bedoeld in artikel 21, tweede lid, tweede volzin.

  2. 2.Voor de behandeling van de aanvragen zijn de bepalingen van de verordening ter regeling van de procedure bij toepassing van Afdeling 6.1 Wet ruimtelijke ordening overeenkomstig van toepassing.

Artikel 23 Strafbepaling

Degene, die handelt in strijd met het derde lid van artikel 10 en artikel 20 met uitzondering van het bepaalde in het tweede lid onder e, van deze verordening, wordt gestraft met een geldboete van de tweede categorie of een hechtenis van ten hoogste drie maanden.

Artikel 24 Toezichthouders

Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast de bij besluit van het college dan wel de burgemeester aan te wijzen personen.

Hoofdstuk 8 Slotbepalingen

Artikel 25 Intrekken oude regeling

De Erfgoedverordening gemeente Overbetuwe 2011, zoals vastgesteld op 19 april 2011, wordt ingetrokken.

Artikel 26 Overgangsrecht

  1. 1.De op grond van de onder artikel 25 ingetrokken Erfgoedverordening gemeente Overbetuwe 2011 aangewezen en geregistreerde gemeentelijke monumenten, worden geacht aangewezen en geregistreerd te zijn in overeenstemming met de bepalingen van deze verordening.

  2. 2.Aanvragen om vergunning die zijn ingediend vóór de inwerkingtreding van deze verordening worden afgehandeld met inachtneming van de in artikel 25 ingetrokken verordening.

Artikel 27 Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de dag na datum van bekendmaking.

Artikel 28 Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als: Erfgoedverordening gemeente Overbetuwe 2016.

 

 

Aldus besloten in zijn openbare vergadering

van 16 februari 2016.

 

 

DE RAAD VOORNOEMD,

de griffier,

de voorzitter,

 

 

 

 

A.J. van den Brink MBA.

drs A.S.F. van Asseldonk.

 

 

A. Algemene toelichting

 

De Wabo en de Erfgoedverordening

De monumentenvergunning uit de Erfgoedverordening is volledig geïntegreerd in de omgevingsvergunning, omdat het om plaatsgebonden activiteiten gaat. Daarom is in artikel 2.2 van de Wabo bepaald dat het verboden is zonder een omgevingsvergunning een krachtens een verordening aangewezen monument te slopen, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen of te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze waarop het wordt ontsierd of in gevaar wordt gebracht. Een extra overweging voor het volledig integreren van de monumentenvergunning in de omgevingsvergunning is dat de verlening van de monumentenvergunning in de praktijk vaak samenliep met de verlening van de bouwvergunning of de aanlegvergunning.

Er is voor gekozen om de instandhoudingsvergunning van archeologische terreinen op grond van artikel 2.2, tweede lid, Wabo aan te haken bij de omgevingsvergunning (facultatieve integratie). Zolang archeologische waarden nog niet in alle gemeentelijke bestemmingsplannen zijn opgenomen kan op deze wijze in de omgevingsvergunning bescherming aan archeologische waarden in de bodem worden geboden bij de realisatie van een fysiek project.

 

De Erfgoedverordening bevat de mogelijkheid om nadere regels te stellen. De Wabo ziet op vergunningen en ontheffingen en niet op nadere regels. Het college blijft hiervoor het bevoegd gezag.

Het inhoudelijke toetsingskader van de omgevingsvergunning inzake de gemeentelijke monumenten is in de verordening bepaald.

 

 

Artikelsgewijze toelichting

 

Hoofdstuk 1 Algemeen

 

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

 

Sub a

De gemeentelijke archeologische beleidsadvieskaart vormt een praktische oplossing in het geval dat nog geen bestemmingsplan is vastgesteld waarin archeologische waarden zijn opgenomen. In dat geval kunnen gebieden op een dergelijke verwachtings-/maatregelenkaart worden opgenomen in een bestemmingsplan, als blijkt dat daar op grond van historisch onderzoek mogelijk archeologische sporen in de bodem kunnen worden aangetroffen.

 

Sub d

Het is nodig om een begripsomschrijving van een 'beschermd rijksmonument' in de gemeentelijke Erfgoedverordening op te nemen. Deze verordening is namelijk een voorwaarde voor het verkrijgen door het college van de bevoegdheid om vergunningen voor de wijziging en sloop van rijksmonumenten te verlenen. Op de vergunningverlening voor rijksmonumenten zijn voornamelijk de artikelen 11 tot en met 21 van de Monumentenwet 1988 en bepalingen uit de Wabo van toepassing.

 

Sub e

De begripsomschrijving ‘bevoegd gezag ‘is toegevoegd in verband met de Wabo.

 

Sub g

Sinds de komst van de Wet dualisering in 2002 kan elk bevoegd orgaan in de gemeente (gemeenteraad, college en burgemeester) zelf zijn commissies instellen. De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit (voorheen de monumentencommissie) is een commissie die adviseert aan het bevoegd gezag. In artikel 15 van de Monumentenwet 1988 is bepaald dat de gemeenteraad een verordening vaststelt waarin tenminste de inschakeling van een commissie op het gebied van de monumentenzorg wordt geregeld die in elk geval tot taak heeft te adviseren over aanvragen van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, sub f van de Wabo.

 

De taken van de door het college ingestelde commissie, genaamd Commissie Ruimtelijke Kwaliteit, strekken zich uit over de Erfgoedverordening, de Monumentenwet en de Wabo. Daarnaast adviseert deze commissie ook over welstandsaspecten.

 

Door de commissie in deze begripsomschrijving bevoegd te verklaren ook over de toepassing van de Wabo te adviseren aan het college, is voldaan aan het vereiste, genoemd in artikel 15, eerste lid van de Monumentenwet 1988.

 

Sub i

Bij de omschrijving van het begrip 'gemeentelijk monument' is aansluiting gezocht bij de omschrijving van een monument in de Monumentenwet 1988. De cultuurhistorische waarde is volgens de Memorie van Toelichting de aan een bouwwerk of gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het beeld dat is ontstaan en het gebruik dat de mens in de loop van de geschiedenis van dat bouwwerk of dat gebied heeft gemaakt. Dit is een zo ruime omschrijving dat het ook betrekking kan hebben op zaken en gebieden met een geschiedkundige en of bouwhistorische waarde.

Het begrip ‘terreinen’, als bedoeld onder 2 van sub i van artikel 1, moet ruim worden uitgelegd. Hoofdzakelijk betreft het locaties waar archeologische waarden in de bodem (kunnen) zitten, maar daarnaast kan het bijvoorbeeld ook gaan om parken, tuinen en een perceel met een of meer bomen. Het is niet vereist dat op het terrein ook een bouwkundig monument voorkomt om over een gemeentelijk monument te kunnen spreken. Een 'zaak' is immers een veel ruimer begrip.

 

Sub j

Dit betreft de lijst waarop de gemeente de in overeenstemming met de verordening aangewezen monumenten registreert. Het plaatsen op de monumentenlijst heeft geen rechtsgevolg. Het betreft slechts een administratieve handeling. Voorafgaand aan de plaatsing op de lijst is het de aanwijzing tot gemeentelijk monument die rechtsgevolg beoogt. Het is inzichtelijker om de aanwijzing en de plaatsing op de lijst uit elkaar te trekken. Zie ook de toelichting op artikel 3, eerste lid en artikel 7.

 

Sub k

Voor de begripsomschrijving is aangesloten bij de tekst van de Monumentenwet 1988, artikel 1.

 

Sub t

De begripsomschrijving ‘vergunning’ is toegevoegd in verband met de Wabo.

 

De overige begripsbepalingen zijn in hun definitie al ruim omschreven, zodat deze geen nadere toelichting behoeven.

 

 

Hoofdstuk 2 Aanwijzing gemeentelijke monumenten

 

Artikel 2 Het gebruik van een monument

Het betreft hier voornamelijk de gebruiksmogelijkheden die de eigenaar/gebruiker zelf aan het object toekent. Deze gebruiksmogelijkheden slaan op de constructie en de ligging van het object, maar ook het feitelijke gebruik van het object zelf.

 

Artikel 3 De aanwijzing tot gemeentelijk monument

Lid 1

De aanwijzing tot gemeentelijk monument en het plaatsen op de monumentenlijst zijn twee zaken met verschillend rechtsgevolg. De aanwijzing heeft rechtsgevolg, het daarna registreren op de gemeentelijke monumentenlijst is slechts een administratieve handeling.

Het besluit tot aanwijzing is een discretionaire bevoegdheid van het college.

Bij vaststelling van de Erfgoedverordening 2010 zijn selectiecriteria vastgesteld.

 

Na afweging van alle betrokken belangen kan tot aanwijzing worden besloten. De afweging van de belangen van de rechthebbende ten opzichte van de te beschermen monumentale waarden moet uitdrukkelijk gemotiveerd in het besluit naar voren komen (de redengeving). De aanwijzing geeft geen recht op schadevergoeding. De aanwijzing verandert immers over het algemeen niets aan het bestaande gebruik van het monument.

Een aanwijzing heeft echter wel gevolgen voor de mogelijkheden wat betreft het toekomstige gebruik van een monumentaal object. Immers, de monumentaal aangewezen onderdelen mogen slechts met een vergunning (zie artikel 10, tweede lid) of slechts op grond van de nadere regels (zie artikel 10, derde lid) worden gewijzigd. Het wijzigen van niet-monumentale onderdelen is alleen vergunningvrij wanneer ook geen omgevingsvergunning voor bouwen is vereist.

 

Lid 2

Het college moet het advies inwinnen van de commissie als bedoeld onder artikel 1, sub g. De verordening bindt het advies niet aan bepaalde voorschriften over vorm en inhoud. Een regeling die de taak en werkwijze van de commissie bepaalt, is daarvoor de aangewezen plaats. Er is sprake van spoedeisend belang als er bijvoorbeeld een omgevingsvergunning voor het slopen wordt aangevraagd voor een object waarvan het college vindt dat het toch aangewezen had moeten zijn als gemeentelijk monument zonder de commissie te horen.

In de verordening is geen bepaling opgenomen dat voordat het college over een aanwijzing een besluit neemt de aanvrager en andere belanghebbenden worden gehoord. Dit is namelijk al geregeld in (de artikelen 4:8 en 4:9 van) de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

 

Lid 3

Dit lid is nodig ondanks het bepaalde in artikel 4:8 Awb dat belanghebbenden zienswijzen naar voren kunnen brengen. Overleg is immers meer dan het naar voren kunnen brengen van zienswijzen.

 

Lid 4

Monumenten die op grond van een aanwijzing door het Rijk of de provincie al op een monumentenlijst zijn geplaatst, komen niet voor aanwijzing als gemeentelijk monument in aanmerking.

 

Artikel 4 Voorbescherming

Dit artikel regelt de voorbescherming voor toekomstige gemeentelijke monumenten zoals die ook voor rijksmonumenten geldt. Dat betekent dat in de periode van kennisgeving van het voornemen van het college om een monument op de gemeentelijke monumentenlijst te plaatsen tot het daadwerkelijke aanwijzingsbesluit (dit kan ook een afwijzing zijn), de artikelen 10 tot en met 13 van deze verordening van toepassing zijn. Dat betekent onder andere dat een monument tijdens de aanwijzingsprocedure tot beschermd gemeentelijk monument niet mag worden afgebroken, gewijzigd, verplaatst etc. zonder een gemeentelijke monumentenvergunning of anders dan de bij nadere regels opgestelde wijze.

 

Het gebruik van de voorbeschermingsprocedure is gebonden aan een motiveringsplicht, aangezien hieraan voor de eigenaar/gebruiker financiële consequenties zijn verbonden. Immers, gedurende de voorbescherming moeten bouwactiviteiten worden opgeschort.

Het inroepen van de voorbescherming van een object is een publiekrechtelijke beperking en een beperkingenbesluit in de zin de van artikel 1, onder a., sub 1 juncto artikel 1, onder b., sub 5 van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken. Daarmee is ook onder andere artikel 14 van deze wet van toepassing wat betreft de aansprakelijkheid van gemeenten voor geleden schade. Daarom moet een gemeente gegronde redenen kunnen aanvoeren voor het inroepen van de voorbescherming.

Zie hiertoe ook de toelichting bij artikel 6 van deze verordening.

 

Artikel 5 Termijnen advies en aanwijzingsbesluit

In dit artikel worden de termijnen genoemd waarbinnen de commissie moet adviseren (eerste lid ) en het college een beslissing moet nemen (tweede lid). Door de besluitvorming aan een termijn te binden, weten alle belanghebbenden waar ze aan toe zijn.

Het bepaalde in het tweede lid heeft tot gevolg dat, wanneer de commissie niet tijdig adviseert, het college de volgende keuze kan maken: zonder advies een beslissing nemen, of besluiten om een te laat uitgebracht advies als bedoeld in het eerste lid toch in hun overwegingen te betrekken. Als het college niet tijdig beslist, is op grond van de Awb sprake van een fictieve weigering. Hiertegen staat voor de aanvrager ingevolge artikel 6:2 van de Awb de mogelijkheid van bezwaar en beroep open.

Het artikel bevat geen bepalingen over bekendmaking van het besluit, omdat de Awb dat afdoende regelt (afdeling 3.6).

 

Artikel 6 Mededeling aanwijzingsbesluit

De ontvangst van de mededeling (zijnde een afschrift van de inschrijving) van het college is voor alle aan het monumentale object verbonden zakelijk gerechtigden van essentieel belang. De kenbaarheid van de aanwijzing tot monumentaal object is ook te herleiden tot artikel 1, onder a., sub 1 juncto artikel 1, onder b., sub 6 van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken. Daarmee zijn de voorschriften uit deze wet ook van toepassing op een aanwijzingsbesluit als bedoeld in artikel 6 van deze verordening.

Dit artikel regelt overigens niet specifiek dat de aanwijzing wordt bekendgemaakt aan de eigenaar en de aanvrager, omdat de Awb dat al bepaalt (afdeling 3.6). Als artikel 4:8 Awb is toegepast (horen van geadresseerde en derdebelanghebbenden) dan moeten de betrokkenen op grond van het bepaalde in artikel 3:43 Awb eveneens een mededeling krijgen.

 

Artikel 7 Registratie op de gemeentelijke monumentenlijst

De registratie van de aanwijzing is een administratieve handeling (en geen besluit). De bedoeling van de bij te houden monumentenlijst is om een ieder snel inzicht te geven in welke zaken als gemeentelijk monument zijn aangewezen en de redengeving daartoe. Wat betreft dit laatste aspect zij tevens verwezen naar de toelichting bij artikel 3, eerste lid (aanwijzing).

 

Artikel 8 Wijziging van de aanwijzing

Op grond van dit artikel is het mogelijk om de aanwijzing van gemeentelijke monumenten te wijzigen (eerste lid). Hiervoor geldt dezelfde voorbereidingsprocedure als voor de aanwijzing zelf (tweede lid), tenzij de wijziging van ondergeschikte betekenis is (derde lid). Wijzigingen van de aanwijzing worden doorgevoerd op de gemeentelijke monumentenlijst (vierde lid).

 

Artikel 9 Intrekken van de aanwijzing

Dit artikel geeft de mogelijkheid om de aanwijzing van gemeentelijke monumenten in te trekken (eerste lid). Voor intrekking van de aanwijzing is het advies van de commissie nodig, tenzij sprake is van spoedeisende gevallen (artikel 3, tweede lid). Monumenten op de gemeentelijke monumentenlijst waarvan de aanwijzing is ingetrokken (omdat ze zijn gesloopt of aan de andere kant volledig teloor zijn gegaan), worden door het college van de monumentenlijst gehaald. Naast de registratie regelt het derde lid dat monumenten niet dubbel aangewezen en geregistreerd kunnen zijn in het geval dat het object ook als rijks- of provinciaal monument is aangewezen en geregistreerd. In dat geval vervalt de gemeentelijke aanwijzing en registratie als monument. Ook is het mogelijk dat een eventuele provinciale monumentenverordening dit zelf regelt.

Het kan zinvol zijn om voor een gebouw, waarvoor een aanvraag tot intrekking van de aanwijzing loopt een (uitvoerige) documentatie te eisen. Enerzijds kan deze voor een goede afweging van de aanvraag dienen, anderzijds wordt het gebouw voorafgaand aan de sloop voor de lokale geschiedenis gedocumenteerd.

 

 

Hoofdstuk 3 Instandhouding van gemeentelijke monumentale zaken

 

Artikel 10 Instandhoudingbepaling

De verbodsbepaling in het eerste lid van artikel 10 vertoont gelijkenis met artikel 2.1. eerste lid, onder f van de Wabo waarbij het gaat om beschermde monumenten uit de Monumentenwet 1988. De artikelen 11 tot en met 21 van de Monumentenwet juncto artikel 14 van deze verordening regelen de vergunningverlening voor de wijziging van rijksmonumenten door het college.

In artikel 10 van deze verordening gaat het daarom alleen over gemeentelijke monumenten. Voor de omgevingsvergunningaanvraag voor gemeentelijke monumenten is van belang dat het verkrijgen van gegevens en ontbrekende gegevens geregeld is in de Awb (artikel 4:2 respectievelijk 4:5 en 4:15 Awb).  

 

In hoofdstuk 5 van de Regeling omgevingsrecht (MOR) zijn specifieke indieningsvereisten opgenomen voor de aanvragen voor een omgevingsvergunning voor activiteiten met betrekking tot monumenten. Het bevoegd gezag heeft niet de mogelijkheid van deze indieningsvereisten af te wijken.

 

In het derde lid van artikel 10 wordt de mogelijkheid geschapen voor het college om nadere regels te stellen die in de plaats kunnen worden gesteld van het verbod uit het eerste lid en de vergunningplicht uit het tweede lid. De Wabo ziet alleen op vergunningen en ontheffingen. Deze bepaling over het stellen van nadere regels valt daarom buiten de Wabo. Het college blijft hiervoor het bevoegde gezag.

Het zal hierbij over het algemeen gaan om wijzigingen aan gemeentelijke monumenten die niet van ingrijpende aard zijn. Voornamelijk het reguliere onderhoud kan in vastomlijnde regels worden opgenomen, zodat burgers niet voor relatief eenvoudige wijzigingen (bijvoorbeeld met betrekking tot kleurstelling of het gebruik van identieke materialen) worden geconfronteerd met een vergunningprocedure. In deze nadere regels kunnen dan expliciet die situaties worden benoemd waarin de burger geen vergunning hoeft aan te vragen.

 

In het vierde lid 4 van artikel 10 is de bepaling betreffende kerkelijke monumenten opgenomen die in artikel 12 van de vorige verordening 2011 stond. Is er sprake van een vergunning voor het monument dan is overeenstemming tussen de eigenaar en de vergunningverlener nodig. Overleg en overeenstemming betreffen de wezenlijke belangen van de godsdienstuitoefening in het kerkelijk monument. Dat betekent dat voor bijvoorbeeld een pastorie of catechisatieruimte deze bepaling dan ook niet geldt.

Het bestaande (en wellicht ook toekomstige) gebruik van het object moet daarbij worden meegenomen, zodat op dit punt ook de wezenlijke belangen van de godsdienstuitoefening kunnen worden geborgd.

 

Artikel 11 Termijnen advies

Op grond van artikel 3.7 Wabo is voor de voorbereiding van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 10 de reguliere voorbereidingsprocedure van toepassing.  

Echter indien er meerdere activiteiten voor het project moeten worden uitgevoerd en voor één van de andere activiteiten de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure op grond van de Wabo gevolgd moet worden dan wordt voor het hele project de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure gevolgd. Uitgangspunt van de Wabo is dat altijd maar één procedure geldt. Indien er sprake is van een samenloop van procedures geldt de zwaarste procedure (de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure).

Veelal zal de reguliere procedure gevolgd worden.

Het bevoegd gezag moet op grond van artikel 3.9 Wabo binnen acht weken een beslissing nemen. De termijn van 8 weken kan met ten hoogste zes weken worden verlengd.

Gelet op de beslistermijn van acht weken is de termijn voor het uitbrengen van advies door de commissie in het tweede lid van artikel 11 van deze Erfgoedverordening bepaald op vier weken.

 

In het derde lid van artikel 3.9 van de Wabo is een positieve fatale beslistermijn opgenomen. Deze positieve fatale beslistermijn houdt in dat de overschrijding van de beslistermijn leidt tot een omgevingsvergunning van rechtswege.

 

Artikel 12 Weigeringsgronden

De omgevingsvergunning wordt geweigerd, indien er strijd is met één van de toetsingscriteria uit het bestaande toetsingskader. De afzonderlijke toetsingskaders zijn onder de Wabo namelijk blijven bestaan. In het kader van dit artikel moet worden afgewogen in hoeverre het belang van monumenten in het geding is. Inhoudelijk kan aangegeven worden dat het belang van de monumentenzorg zwaarder weegt dan andere belangen (bijvoorbeeld het economisch belang). De tekst van het artikel geeft namelijk aan dat het belang van de monumentenzorg zich niet tegen de vergunningverlening mag verzetten. Hierdoor wordt de monumentenzorg centraal gesteld. De vergunning moet op grond van dit artikel worden verleend in de gevallen dat het niet strijdig is met het belang van de monumentenzorg.

 

Artikel 13 Intrekken van de vergunning

Dit artikel bevat de mogelijke gronden om een vergunning in te trekken. De bepaling onder b. heeft de volgende achtergrond: als de omstandigheden bij de vergunninghouder ten aanzien van het monument wijzigen, dan zou het zo kunnen zijn dat als er een nieuwe belangenafweging zou kunnen plaatsvinden, de belangen van het monument behoren voor te gaan. In dat geval moet het college mogelijkheden hebben om de vergunning in te trekken.

 

 

Hoofdstuk 4 Rijksmonumenten

 

Artikel 14 Vergunning voor beschermd rijksmonument

Lid 1

De procedure voor de afgifte door het college van de vergunning voor rijksmonumenten staat in paragraaf 3.3 van de Wabo, hoofdstuk 2, paragraaf 2 van de Monumentenwet 1988 en afdeling 3.4 van de Awb. De uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure is van toepassing.

Hierin verschilt de omgevingsvergunning voor beschermde rijksmonumenten van de omgevingsvergunning voor gemeentelijke monumenten. Voor een vergunning als bedoeld in artikel 10 dient namelijk de reguliere procedure gevolgd te worden. Door de inwerkingtreding van de Wabo vindt er geen wijziging in de voorbereidingsprocedure voor de omgevingsvergunning voor beschermde rijksmonumenten plaats. Door dit onderscheid in procedures is de beslistermijn voor beide omgevingsvergunningen niet gelijk. Dit heeft tot gevolg dat de adviestermijn voor beschermde rijksmonumenten ook langer zal zijn. Door de komst van de Wabo wordt de kring van belanghebbenden vergroot. Gedurende de termijn van terinzagelegging kan een ieder een zienswijze indienen. Voorheen konden alleen belanghebbenden zienswijzen indienen.

De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, en buiten de bebouwde kom ook Gedeputeerde Staten, moet binnen 8 weken (art. 6.4 Besluit omgevingsrecht) na verzending van de adviesaanvraag adviseren. Het definitieve besluit moet binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag worden genomen. Op het definitieve besluit kan nog slechts door belanghebbenden beroep worden ingesteld.

 

Lid 2

De Monumentenwet 1988 schrijft voor dat de commissie bij aanvragen om vergunning voor rijksmonumenten wordt ingeschakeld.

 

Hoofdstuk 5 Gemeentelijke stads- en dorpsgezichten

 

Artikel 15 De aanwijzing tot gemeentelijk stads- of dorpsgezicht

De mogelijkheid gebieden aan te wijzen als beschermd stads- of dorpsgezicht biedt geen verplichtingen, maar betekent wel een extra beleidsinstrument tussen de objectgerichte monumentenlijsten en de gewone bestemmingsplannen. Tevens betekent de aanwijzing een politiek belangrijke intentieverklaring.

Stads- en dorpsgezichten die al op een rijkslijst staan, komen niet voor aanwijzing als gemeentelijk stads- of dorpsgezicht in aanmerking.

 

Artikel 16 Registratie op de gemeentelijke monumentenlijst

De registratie van de aanwijzing is een administratieve handeling (en geen besluit). De bedoeling van de bij te houden monumentenlijst is om een ieder snel inzicht te geven in welke zaken als gemeentelijk monument zijn aangewezen en de redengeving daartoe. Wat betreft dit laatste aspect zij tevens verwezen naar de toelichting bij artikel 3, eerste lid (aanwijzing).

 

Artikel 17 Bestemmingsplan

Als de gemeente de cultuurhistorische waarde van een gebied erkent en wil beschermen als gemeentelijk stads- of dorpsgezicht, wordt deze kwaliteit, in bestemmingsplanterminologie, een ruimtelijk gebruiksdoeleind van de grond, waaraan bijzondere situeringskenmerken kunnen worden verbonden, zoals zeer gedetailleerde bebouwingsvoorschriften. Uitsluitend het vaststellen van dergelijke bestemmingsplannen, zonder aanwijzing van een stads- of dorpsgezicht, is ongewenst, aangezien in deze aanwijzing de legitimering gevonden wordt op grond waarvan de extra plichten (in vergelijking met andere bestemmingsplannen) opgelegd worden.

 

Artikel 18 Verbodsbepaling

Het sloopvergunningstelsel voor bouwwerken, ook voor een beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht  is geregeld in de Wabo.

 

 

Hoofdstuk 6 Instandhouding van archeologische terreinen

 

Artikel 19 Gemeentelijke archeologische beleidsadvieskaart

Lid 1

De Monumentenwet 1988 (artikel 38a), die met de Wet op de archeologische monumentenzorg is aangepast, verplicht de gemeenteraad om bij de vaststelling van een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1 van de Wro, rekening te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten. Het uitgangspunt van deze wet (voortvloeiend uit het Verdrag van Valletta (Malta)) en daarmee ook van deze verordening, is daarom primair dat in het bestemmingsplan, door middel van een gemeentelijke archeologische beleidsadvieskaart, wordt vastgelegd waar zich archeologische waarden in de bodem (kunnen) bevinden. Dit artikel voorziet in de behoefte aan een overgangsperiode tot het moment dat een bestemmingplan ´Malta-proof´ is conform artikel 38 Monumentenwet 1988.

 

Lid 2

Een gemeentelijke archeologische beleidskaart is geen statisch gegeven. De doorlopende aanvullende archeologische kennis uit archeologische vondsten en uit onderzoeksgegevens bij bijvoorbeeld ruimtelijke plannen maakt het noodzakelijk om van tijd tot tijd de kaart ‘up-to-date’ te houden.

 

Artikel 20 Instandhoudingbepaling

Lid 1

Tot het moment dat een ‘Malta-proof’-bestemmingsplan kan worden vastgesteld, biedt deze verordening bij wijze van artikel 20 de nodige bescherming aan archeologische waarden in de bodem. Het eerste lid van artikel 20 biedt bescherming door het opgenomen verbod om dieper dan 30 cm onder het maaiveld de bodem te verstoren.

 

Lid 2

In het tweede lid van artikel 20 wordt een zestal uitzonderingsmogelijkheden gegeven op het eerste lid. Ingevolge onderdeel a. kan van het verbod uit het eerste lid worden afgeweken als het verstoren plaats vindt in een archeologisch monument of verwachtingsgebied zoals aangegeven op de gemeentelijke beleidskaart. Deze archeologische verwachtingswaarden zijn vervolgens gekoppeld aan een aantal m2 te verstoren verwachtingsgebied.

Bij de bepaling van deze grenzen is voldoende rekening gehouden met wat er binnen het verwachtingsgebied aan archeologische sporen kan worden aangetroffen. In ieder geval moet de gehanteerde oppervlakte dusdanig zijn dat voldoende informatie verkregen kan worden over de aard, het karakter en de datering van de (mogelijk) in de bodem aan te treffen archeologische sporen.

In afwijking van de wettelijke ondergrens van 100 m2 is voor bekende archeologische terreinen deze ondergrens op 0 m2 gesteld vanwege het directe risico van informatieverlies. Bij de historische dorpskernen is deze ondergrens op 50 m2 gesteld vanwege het verhoogde risico van informatieverlies en in aansluiting op de vrijstellingsgrens voor vergunningsvrij bouwen in de Wabo.

 

Onderdeel b. ziet op de situatie dat het bestemmingsplan wel up-to-date is als bedoeld in de inleidende toelichting bij dit artikel. In dat geval biedt het bestemmingplan, aan de hand van de bijbehorende archeologische beleidsadvieskaart, voldoende bescherming aan de in de bodem aanwezige of te verwachten archeologische waarden.

 

In onderdeel c. worden de mogelijkheden genoemd ingevolge artikel 2.12 van de Wabo.

Bij de aanvraag om omgevingsvergunning kunnen voorschriften worden opgenomen met betrekking tot archeologische waarden in het gebied, waarvoor de vergunning wordt aangevraagd. Aan de aanvraag kan dan de voorwaarde worden verbonden dat een rapportage wordt overlegd, waarin de archeologische waarden van het te verstoren terrein in voldoende mate zijn vastgesteld.

 

Op grond van onderdeel d. kan het college nadere regels stellen wat betreft de eisen aan de uitvoering van de bodemverstorende werkzaamheden in een archeologisch monument of verwachtingsgebied. Vooruitlopend op een ‘Malta-proof’-bestemmingsplan kunnen deze nadere regels inhoudelijk aansluiten op de situatie dat (in een bestemmingsplan waarin een archeologische paragraaf is opgenomen) de verstorende werkzaamheden worden uitgevoerd aan de hand van een aanlegvergunning, waarin vereisten over de bescherming van archeologische waarden zijn opgenomen.

 

Onderdeel e. ziet op situaties buiten de aanvraag als bedoeld in onderdeel c. Dit rapport kan ook in de nadere regels ingevolge onderdeel d. worden gevraagd en komt overeen met de mogelijkheid in artikel 39, tweede lid, van de Monumentenwet in geval van een bestemmingsplan in de geest van het Verdrag van Valetta (Malta).

 

Artikel 21 Opgravingen en begeleiding

De verplichtingen die in deze bepaling zijn opgenomen kunnen alleen goed functioneren als een gemeente hierover actief de archeologische onderzoekers informeert. Immers, met het opnemen van deze bepaling in haar verordening, kiest de gemeente voor een uitgebreide regiefunctie bij archeologische opgravingen binnen het gemeentelijk grondgebied. Daarnaast is op grond van de Monumentenwet 1988 een vergunning vereist voor het doen van opgravingen en moet een rechthebbende van een terrein dulden dat de opgravingsbevoegde zijn terrein betreedt en eventueel opgravingen verricht. Verder regelt deze wet ook de eigendomskwestie van archeologische vondsten.

 

Om de bedoelde regierol goed te kunnen uitoefenen moet het college een programma van eisen opstellen waarmee de kaders worden gesteld voor het ontwerp en de uitvoering van archeologisch onderzoek (eerste lid, onder a). Vervolgens wordt van de opgraver verwacht dat hij in een plan van aanpak weergeeft hoe hij specifiek de gestelde kaders zoals omschreven in het programma van eisen (PvE) denkt te gaan invullen (eerste lid, onder b). Op grond van het tweede en derde lid kunnen vervolgens nadere regels worden gesteld over de feitelijke uitvoering (en het toezicht daarop) en de beoordeling van het plan van aanpak (PvA). Het inhoudelijk beoordelen van PvE en PvA zal in de regel geschieden door de regio-archeoloog, die als deskundige voor de gemeente optreedt.

 

 

Hoofdstuk 7 Overige bepalingen

 

Artikel 22 Tegemoetkoming in schade

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft uitgemaakt dat de monumentenverordening zonder een schadevergoedingsregeling rechtsgeldig is (BR 86,604). Voor het archeologische deel van de verordening moet echter, op grond van de Wet op de Archeologische monumentenzorg, wel een schadevergoedingsregeling in de verordening opgenomen worden. De rijksregeling voor excessieve opgravingskosten is met ingang van 2009 niet meer van toepassing. Het veroorzaker-betaalt-principe, zoals dat in de Memorie van Toelichting bij de Wet op de Archeologische monumentenzorg is verwoord, staat bij de afweging tot toekenning van schadevergoeding voorop en geldt voor alle in het eerste lid genoemde onderdelen (a t/m e). Per geval zal moeten worden afgewogen wat ‘redelijk’ of ‘buitenproportioneel’ is. In deze verordening is gekozen voor een gecombineerde schadevergoedingsbepaling, waarin de specifieke gevallen zijn opgenomen op grond waarvan het college mogelijk een tegemoetkoming in schade aan een belanghebbende moet toekennen.

 

Artikel 23 Strafbepaling

De strafbepaling is met de komst van de Wabo alleen nog van toepassing op de nadere voorschriften die het college kan stellen op grond van artikel 10, derde lid, en artikel 20 met uitzondering van het tweede lid, onder e.

De strafbaarstelling van de omgevingsvergunning voor gemeentelijke monumenten is geregeld in de Wet economische delicten (Wed). Het handelen in strijd zonder vereiste omgevingsvergunning of in strijd met de voorschriften daarvan wordt aangemerkt als economisch delict.

 

Artikel 154, eerste lid, van de Gemeentewet laat een keuzemogelijkheid aan de gemeenteraad om op overtreding van verordeningen straf stellen, maar geen andere of zwaardere dan hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie, al dan niet met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak. In artikel 23 van het Wetboek van Strafrecht zijn de geldboetecategorieën opgenomen. De op te leggen boete voor strafbare feiten in de eerste categorie is maximaal € 405,- (per januari 2014); in de tweede categorie maximaal € 4.050,- (per januari 2014). Het is de gemeente niet toegestaan om een hogere geldboete op te nemen dan in genoemde categorieën. In de Monumentenwet 1988 is handelen in strijd met artikel 11 (het verbod om een monument zonder vergunning te wijzigen of af te breken) gekoppeld aan een geldboete van de vijfde categorie € 81.000,- (per januari 2014).

 

Op gemeentelijk niveau is, gelet op de ernst van dit vergrijp, de hoogte van de strafmaat voor rijksmonumenten en de wens om enige preventieve werking te bereiken, de keuze voor de geldboete van de tweede categorie of een hechtenis van drie maanden voor de hand liggend.

 

Artikel 24 Toezichthouders

Dit artikel regelt dat toezicht op naleving van deze verordening geschiedt door toezichthouders die door het college of de burgemeester aangewezen zijn.

 

 

Hoofdstuk 8 Slotbepalingen

 

Artikel 25 Intrekken oude regeling

Dit artikel regelt de intrekking van de Erfgoedverordening, zoals vastgesteld door de raad op 19 april 2011.

 

Artikel 26 Overgangsrecht

Vanwege de rechtszekerheid en de eerbiediging van bestaande rechten is in deze verordening een overgangsbepaling opgenomen voor de aanwijzing tot monument (artikel 3) en de vergunningverlening (artikel 10).

 

In het eerste lid worden de op grond van de eerder vastgestelde verordening op de gemeentelijke monumentenlijst voorkomende monumenten geacht te zijn aangewezen en geregistreerd in overeenstemming met deze nieuwe verordening. In het tweede lid is geregeld dat aanvragen om vergunning voor gemeentelijke monumenten die zijn ingediend vóór het van kracht worden van deze verordening, worden afgehandeld op grond van de oude verordening.

 

Artikel 27 Inwerkingtreding

Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.

 

Artikel 28 Citeertitel

Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.

 

erfgoedverordening 160216

erfgoedverordening 160216 (PDF)
Omschrijving: