Disclaimer

In het onderdeel Regelgeving vindt u geldende algemeen verbindende voorschriften (verordeningen) en beleidsregels van de gemeente Overbetuwe. De complete tekst, waarin alle wijzigingen zijn verwerkt, is gepubliceerd. De informatie in dit onderdeel vormt geen bekendmaking in de zin van de Gemeentewet of de Algemene wet bestuursrecht. Alleen publicatie in het binnen de gemeente te verspreiden huis-aan-huisblad heeft een officieel karakter.

Zoeken in regelgeving

            

Scholingsregeling gemeente Overbetuwe

Voor deze verordening versie is geen samenvatting ingevoerd.

Gegevens van de regeling

Overheidsorganisatie Gemeente Overbetuwe
Officiële naam regeling Scholingsregeling gemeente Overbetuwe 2010
Citeertitel Scholingsregeling gemeente Overbetuwe 2010
Vastgesteld door college van burgemeester en wethouders
Deze versie is geldig tot (als de vervaldatum is vastgesteld) 01-01-2015
Onderwerp maatschappelijke zorg en welzijn
Opmerkingen m.b.t. de regeling De Regeling scholing gemeente Overbetuwe 2009, zoals vastgesteld bij besluit van 23 juni 2009, wordt ingetrokken.
Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving) Geen.
Betreft (aard van de wijziging) nieuwe regeling
Datum van inwerkingtreding van (een versie van) de regeling 13-05-2010
Datum terugwerkende kracht (t/m) van (een versie van) de regeling
Datum ondertekening van (een wijziging van) de regeling 04-05-2010
Bron bekendmaking van (een wijziging van) de regeling Hét Gemeente Nieuws; 12-05-2010
Kenmerk voorstel 10bwb00155

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

Reïntegratieverordening WWB, IOAW, IOAZ en WIJ gemeente Overbetuwe 2010, art. 15, lid 5, art. 24

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding Terugwerkende kracht t/m Datum uitwerkingtreding Betreft Datum ondertekening
Bron bekendmaking
Kenmerk
voorstel
13-05-2010 01-01-2015 nieuwe regeling 04-05-2010
Hét Gemeente Nieuws; 12-05-2010
10bwb00155

Onderwerp: Scholingsregeling gemeente Overbetuwe 2010

 

Ons kenmerk: 10bwb00155

 

Burgemeester en wethouders van de gemeente Overbetuwe;

 

gelet op artikel(en) 15, vijfde lid en 24 van de Re-integratieverordening WWB, IOAW, IOAZ en WIJ gemeente Overbetuwe 2010;

 

b e s l u i t e n :

 

vast te stellen de

 

Scholingsregeling gemeente Overbetuwe 2010

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

Deze regeling verstaat onder:

  1. a.college: het college van burgemeester en wethouders;

  2. b.WWB: de Wet werk en bijstand;

  3. c.WIJ: de Wet investeren in jongeren;

  4. d.verordening: de Re-integratieverordening WWB, IOAW, IOAZ en WIJ gemeente Overbetuwe 2010;

  5. e.voorziening: scholing gericht op inschakeling in algemeen geaccepteerde arbeid;

  6. f.belanghebbende: de uitkeringsgerechtigde of de jongere.

Artikel 2 Aanvraag

Een aanvraag moet door middel van een aanvraagformulier, zoals door het college vastgesteld, worden ingediend.

Artikel 3 Noodzakelijkheid van de voorziening

  1. 1.De aangeboden scholing is gericht op het behalen van een startkwalificatie voor de arbeidsmarkt.

  2. 2.In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, kan ook andere scholing gevolgd worden, mits deze kortdurend is en gericht op een snelle arbeidsinschakeling.

  3. 3.Scholing gericht op zelfstandig ondernemerschap wordt uitsluitend aangeboden als via Bureau Zelfstandigen is aangetoond dat het toekomstige bedrijf of zelfstandig beroep levensvatbaar is.

  4. 4.De noodzaak van scholing is in ieder geval aanwezig als is gebleken dat de uitkeringsgerechtigde of de jongere gedurende 12 respectievelijk 6 maanden ondanks aantoonbare inspanningen er niet in is geslaagd algemeen geaccepteerd werk te verkrijgen.

  5. 5.De belanghebbende moet leerbaar zijn en moet de capaciteiten hebben om de scholing af te ronden binnen de gestelde periode.

  6. 6.De belanghebbende moet bij het UWV Werkbedrijf als werkzoekende zijn ingeschreven.

  7. 7.De scholing heeft betrekking op een erkende opleiding en vindt plaats bij een erkend opleidingsinstituut.

  8. 8.Geen noodzaak voor scholing bestaat voor:

    1. a.de persoon die onderwijs of een beroepsopleiding volgt als bedoeld in de Wet studiefinanciering 2000 of in hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten; en

    2. b.de persoon die kind is, als bedoeld in artikel 7, tweede lid, aanhef en onderdeel a. van de Algemene Kinderbijslagwet.

Artikel 4 Duur van de voorziening

  1. 1.De duur van scholing gericht op het behalen van een startkwalificatie is doorgaans 2 jaar bij voltijd. De duur wordt op individueel niveau bepaald.

  2. 2.De duur van kortdurende scholing is maximaal 6 maanden.

  3. 3.De duur van kortdurende scholing kan worden verlengd met maximaal 6 maanden, als scholing wordt gevolgd in combinatie met betaalde arbeid en deze combinatie een verlenging noodzakelijk maakt.

Artikel 5 De maximale kosten en de wijze van vergoeden

  1. 1.De goedkoopst adequate scholingsmogelijkheid moet worden benut.

  2. 2.Kosten van scholing en kosten die direct gerelateerd zijn aan de toegekende scholing bedragen maximaal € 3.000,- per jaar.

  3. 3.In afwijking van het eerste en tweede lid kan het college over scholing waaraan een baangarantie gekoppeld is, afwijkend beslissen.

  4. 4.De kosten worden direct aan het opleidingsinstituut vergoed.

  5. 5.In afwijking van het vorige lid kunnen de kosten ook op declaratiebasis aan het opleidingsinstituut worden vergoed.

Artikel 6 De tegemoetkoming in de kosten

  1. 1.Geen tegemoetkoming in de kosten wordt verstrekt voor kosten die gemaakt zijn voor de datum van indiening van de aanvraag.

  2. 2.De hoogte van de tegemoetkoming aan een uitkeringsgerechtigde bedraagt 100% van de voor tegemoetkoming in aanmerking komende kosten.

  3. 3.De hoogte van de tegemoetkoming aan een jongere bedraagt 100% van de voor tegemoetkoming in aanmerking komende kosten minus de draagkracht op grond van de WIJ.

Artikel 7 Hardheidsclausule

Het college kan één of meerdere artikelen van deze regeling buiten toepassing laten of daarvan afwijken, voor zover toepassing, gelet op het belang van duurzame arbeidsinschakeling en maatschappelijke participatie, leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Artikel 8 Intrekking oude regeling

De Regeling scholing gemeente Overbetuwe 2009, zoals vastgesteld bij besluit van 23 juni 2009, wordt ingetrokken.

Artikel 9 Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking op de dag na de datum van bekendmaking.

Artikel 10 Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Scholingsregeling gemeente Overbetuwe 2010.

Aldus besloten in de vergadering van 4 mei 2010.

 

Het college van burgemeester en wethouders,

de gemeentesecretaris,

de burgemeester,

 

 

 

 

Th.M.M. Hoex

E. Tuijnman.

 

Algemene toelichting

Op grond van artikel 24 van de Re-integratieverordening WWB, IOAW, IOAZ en WIJ gemeente Overbetuwe 2010 is het college bevoegd nadere regels over de noodzakelijkheid, de duur en de maximale kosten van scholing vast te stellen. Door middel van deze regeling wordt hieraan gevolg gegeven.

 

Artikelsgewijze toelichting

 

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

In dit artikel worden de gehanteerde begrippen omschreven. Als in deze regeling wordt gesproken over ‘voorziening’ wordt hiermee bedoeld een voorziening in de vorm van scholing, die gericht is op algemeen geaccepteerde arbeid.

 

Artikel 2 Aanvraag

Dit artikel behoeft geen toelichting.

 

Artikel 3 Noodzakelijkheid van de voorziening

Gegeven de geringere kansen van mensen die niet over een startkwalificatie beschikken, is het van belang dat gewerkt wordt aan het versterken van hun positie op de arbeidsmarkt. De werkloosheid onder laagopgeleiden is aanmerkelijk groter dan onder hoogopgeleiden. Het is van belang dat iedereen die kan participeren op de arbeidsmarkt, ook daadwerkelijk participeert. Scholing is gericht op het zo snel mogelijk behalen van een kwalificatie op startniveau. De scholing moet noodzakelijk zijn om duurzame uitstroom voor de werkzoekende te realiseren. Dit moet op individuele gronden beoordeeld worden.

 

De noodzakelijkheid van scholing is daarmee afgestemd op de vraag vanuit de arbeidsmarkt. Dit betekent dat alleen scholing aangeboden wordt, die inspeelt op de behoefte van de arbeidsmarkt. Zo is het bijvoorbeeld van belang te weten hoe de personeelsbehoefte van belangrijke sectoren in de regio er nu en in de toekomst uitziet (vergrijzing). Dan wordt duidelijk waar de vacatures zitten, maar ook in welke richtingen het zinvol is te scholen.

 

Tot slot bestaat de mogelijk om bijvoorbeeld NT2 op de werkvloer en duale trajecten aan te bieden waarbij werk en scholing gecombineerd worden (werkervaring opdoen en (vak)taalvaardigheid verbeteren door middel van gerichte taal- en communicatieve opdrachten).

 

Scholing die niet gericht is op het behalen van een startkwalificatie moet bijdragen aan een snelle en succesvolle inzetbaarheid van mensen. Succesvol wil zeggen dat de belanghebbende door scholing werk kan verkrijgen en daarmee uit de uitkering kan stromen. Te denken valt aan kortdurende cursussen die gericht zijn op het aanleren van specifieke vaardigheden, bijvoorbeeld een training communicatievaardigheden of een sollicitatietraining. (Korte) Functiegerichte trainingen behoren ook tot de mogelijkheid. De noodzakelijkheid van kortdurende scholing is daarmee afgestemd op de vraag vanuit de arbeidsmarkt.

 

Scholing gericht op zelfstandig ondernemerschap wordt, op grond van het derde lid, alleen aangeboden als het bedrijf of zelfstandig beroep levensvatbaar is. Het onderzoek naar de levensvatbaarheid wordt uitsluitend verricht door het Bureau Zelfstandigen. Dit bureau richt zijn onderzoek zowel op de persoon als het bedrijfsplan. Uit het advies zal blijken of zelfstandig ondernemerschap haalbaar is en welke vorm van scholing nog nodig is. De scholing voor zelfstandig ondernemerschap kan uit het scholingsbudget worden vergoed.

 

Scholing wordt alleen aangeboden aan personen die kunnen aantonen dat zij inspanningen hebben verricht om werk te vinden. Het feit dat een uitkeringsgerechtigde of jongere 12 respectievelijk 6 maanden werkloos is, geeft niet zonder meer toegang tot een scholingsvoorziening. De genoemde periode is geen hard criterium. Als er redenen zijn om een efficiënter uitstroombeleid te voeren en daarmee de schadelast die de wet met zich meebrengt te beperken, dan is afwijken van de norm gerechtvaardigd.

 

De belanghebbende moet, blijkens het vijfde lid, leerbaar zijn en moet de capaciteiten hebben om de scholing af te ronden binnen de gestelde periode. Dit kan bijvoorbeeld uit een stage, een assessment of gesprekken met de werkcoach blijken.

 

Scholing is altijd gericht op arbeidsinschakeling. Dit maakt de inschrijving bij het UWV Werkbedrijf op grond van het zesde lid onontbeerlijk. Wanneer het klantdossier niet voldoende informatie bevat, dan kan het UWV Werkbedrijf ook over informatie beschikken. Vooral bij jongeren die geen uitkering genieten, bestaat er geen gemeentelijk dossier. De gegevens kunnen dan aangeleverd worden door het UWV Werkbedrijf.

Voor de alleenstaande ouders die de volledige zorg hebben voor ten laste komende kinderen tot vijf jaar geldt dat zij een recht op ontheffing van de arbeidsverplichting kunnen aanvragen in combinatie met een scholingsplicht. Zij behouden echter wel de plicht om ingeschreven te zijn bij het UWV Werkbedrijf. De reïntegratieplicht kan op deze manier gevuld worden met scholing of opleiding die de toegang tot de arbeidsmarkt bevorderd. Het is belangrijk te voorkomen dat alleenstaande ouders door een langdurig verblijf in de bijstand de aansluiting op de arbeidsmarkt missen.

 

Het college bepaalt naast de noodzakelijkheid van de scholing ook het opleidingsinstituut waar de scholing gevolgd mag worden, zo volgt uit het zevende lid. De opleiding moet erkend zijn door het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen. Bij een zelfstandige wordt de scholing gevolgd via het Bureau Zelfstandigen.

 

In het achtste lid wordt aangegeven voor welke personen scholing niet noodzakelijk is. Voor deze personen geldt dat zij al scholing volgen op grond van een andere wet, dan wel (gedeeltelijk) leerplichtig zijn en daarmee onder de zorgplicht vallen van Onderwijs.

 

Artikel 4 Duur van de voorziening

Voor het behalen van een startkwalificatie moet een MBO opleiding niveau 2 afgerond worden. Scholing moet zoveel mogelijk gecombineerd worden met werk (betaald werk of werk met behoud van uitkering); bijvoorbeeld in het kader van een BBL of BOL opleiding. De duur van zo’n opleiding is doorgaans 2 jaar bij voltijd. Voor deeltijd geldt een afwijkende termijn. Het kan zijn dat de belanghebbende vrijstelling kan krijgen vanwege eerder gevolgde opleidingen of werkervaring. Dit is maatwerk. Er wordt een trajectplan ondertekend door alle partijen, waarin de taken en verantwoordelijkheden zijn vastgelegd.

 

Conform artikel 3, tweede lid is de scholing vooral kortdurend, naast uiteraard arbeidsmarktgericht. Dat betekent dat scholing langer dan 6 maanden niet adequaat is.

 

De duur van de kortdurende scholing kan op grond van het derde lid met 6 maanden worden verlengd als er naast de opleiding betaalde arbeid wordt verricht. Deze twee activiteiten moeten dan beide onderdeel zijn van een trajectplan. In dit geval kan worden gedacht aan een duaal traject. Scholing en arbeid worden in relatie met elkaar aangeboden.

Omdat belanghebbende in verband met de opleiding niet volledig beschikbaar is voor de arbeidsmarkt, is het aannemelijk dat er een aanvullende uitkering wordt verstrekt. In dit geval is het mogelijk de maximale duur van de opleiding te verlengen tot de werkelijke duur van de opleiding met een maximum van 12 maanden. Heeft belanghebbende geen uitkering meer, dan is het stellen van een maximumduur niet noodzakelijk.

 

Afhankelijk van de aard en duur van de opleiding kan nog met de arbeidsverplichting voor belanghebbenden die een opleiding/scholing volgen rekening worden gehouden. Artikel 9, tweede lid WWB en artikel 37a IOAW/IOAZ bepalen namelijk dat het college in individuele gevallen een tijdelijke ontheffing kan verlenen van de verplichting gebruik te maken van een voorziening gericht op arbeidsinschakeling, als hiervoor dringende redenen aanwezig zijn.

Hierbij wordt de regel gehanteerd dat tijdens de scholing of opleiding de belanghebbende van de verplichting naar vermogen te trachten arbeid in dienstbetrekking te verkrijgen en te aanvaarden wordt ontheven, voor ten hoogste de duur en de omvang van die scholing of opleiding.

 

Artikel 5 De maximale kosten en de wijze van vergoeden

De goedkoopste scholingsmogelijkheid moet op grond van het eerste lid worden benut bij vergelijkbare kwaliteit. Is er bij een opleiding sprake van baangarantie dan moet dat in de kostenafweging meegenomen worden.

 

De kosten van een opleiding zijn afhankelijk van de aard en de duur van de opleiding. In individuele gevallen kan het noodzakelijk zijn dat er meerdere korte (aaneensluitende) cursussen gevolgd worden. Het is daarom zinvol om niet de kosten van een enkele opleiding te maximeren, maar een ‘opleidingstraject’.

Volgens dit opleidingstraject is het ook mogelijk overige kosten in verband met de scholing, zoals reiskosten, boekengeld etc. op declaratiebasis te vergoeden. De reiskosten worden vergoed op basis van de kosten van het openbaar vervoer. Overige kosten worden alleen vergoed wanneer de scholing die kosten noodzakelijk maakt. Dit kan het beste door het opleidingsinstituut, in overleg met de bijstandsconsulent, worden beoordeeld.

 

Als scholing wordt gekoppeld aan een baangarantie en deze combinatie heeft een kostenverhogend effect, dan kan van het bepaalde in het tweede lid afgeweken worden. De baangarantie moet wel in een overeenkomst, ondertekend door alle partijen, vastgelegd worden.

 

Uitgangspunt is dat de voorziening in natura wordt verstrekt: de gemeente betaalt de kosten rechtstreeks aan de aanbieder van de opleiding en niet aan de belanghebbende. Zie het vierde lid.

 

Een enkele keer komt het voor dat de kosten van de scholing achteraf worden vergoed. Deze kosten kunnen na goedkeuring van de scholing en indiening van de nota vergoed worden; zie het vijfde lid. Het is uitdrukkelijk niet de bedoeling dat er kosten worden gedeclareerd voor scholing, waarvoor op grond van deze regeling vooraf geen toestemming is verleend. Zie artikel 6, eerste lid.

 

Artikel 6 De tegemoetkoming in de kosten

Het college zal vooraf individueel nagaan of de scholing noodzakelijk en goedkoopst adequaat is. Als de kosten zijn gemaakt voor de datum van indiening van de aanvraag heeft het college geen mogelijkheid meer de noodzaak en adequaatheid individueel te toetsen. De aanvraag kan op grond van het eerste lid van dit artikel worden afgewezen.

 

In het tweede lid is bepaald dat bij alle uitkeringsgerechtigden volledig tegemoetgekomen wordt in de kosten van een opleiding, die noodzakelijk is.

 

Als de belanghebbende een jongere is zonder uitkering ingevolge de WIJ dan wordt bij de berekening van de tegemoetkoming de draagkracht uit inkomen en vermogen meegenomen. Al het meerdere van het inkomen/vermogen dat boven het voor de belanghebbende geldende norminkomen respectievelijk vermogensgrens ligt, wordt op de voor tegemoetkoming in aanmerking komende kosten in mindering gebracht. Het argument dat hieraan ten grondslag ligt is het feit dat jongeren die scholing volgen op grond van artikel 3, zevende lid van deze regeling in een vergelijkbare financiële positie zitten en ook voor een deel zelf in de kosten van hun opleiding moeten voorzien.

Omdat de kosten rechtstreeks aan het opleidingsinstituut worden betaald, terwijl er in verband met de aanwezigheid van draagkracht een eigen betaling resteert, is er een vordering op de belanghebbende. Deze vordering wordt in de beschikking opgenomen.

 

Artikel 7 Hardheidsclausule

Dit artikel behoeft geen toelichting.

 

Artikel 8 Intrekking oude regeling

Dit artikel behoeft geen toelichting.

 

Artikel 9 Inwerkingtreding

Dit artikel behoeft geen toelichting.

 

Artikel 10 Citeertitel

Dit artikel behoeft geen toelichting.

scholingsregeling 2010 10 05 04

scholingsregeling 2010 10 05 04 (PDF)
Omschrijving: